Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-04-15
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3960
97/4447 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en de Korpsbeheerder van de politieregio Brabant- Noord, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch op 11 april 1997 onder nr. AWB 95/2741 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 11 maart 1999, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr J. Lamme, verbonden aan Apol & Lamme juridisch adviseurs, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J.M.M.B. Maes, verbonden aan het Centraal Adviesbureau voor Publiek Recht en Administratie, en C, toenmalig korpschef van de gemeentepolitie te X. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en zijn de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten: Ambtenarenwet - en de Beroepswet gewijzigd. De hieruit voortvloeiende wijziging van het procesrecht (ook) in ambtenarenzaken brengt mee dat op het onderhavige hoger beroep, dat is ingesteld na 31 december 1993, voor zover de Beroepswet niet anders aangeeft hoofdstuk 8 van de Awb moet worden toegepast. De in het kader van evengenoemde wetswijzigingen gegeven regels van overgangsrecht brengen overigens mee dat ten aanzien van de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen besluiten die vóór 1 januari 1994 zijn bekendgemaakt, onderscheidenlijk hoger beroep in te stellen tegen uitspraken die vóór 1 januari 1994 zijn gedaan, het recht zoals het gold vóór dat tijdstip van toepassing blijft. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende voor dit geding van belang zijnde feiten. Appellant, vanaf 1969 werkzaam bij de politie, bekleedde sinds 1 januari 1978 de functie van plaatsvervangend korpschef bij de gemeentepolitie van X. Hij werd bezoldigd naar schaal 11. De bovengenoemde korpschef C is met ingang van 1 april 1991 tevens gaan optreden als korpschef van de politie van Veghel. In het kader van de reorganisatie van de politie is appellant bij brief van 5 maart 1993 medegedeeld dat voor zijn uitgangspositie in de reorganisatie werd uitgegaan van de functie (hierna te noemen: oorspronkelijke functie) van "PLV/WND KORPSCHEF", waarvan de salarisschaal op basis van functiewaardering was bepaald op 11. Bezwaren van appellant hiertegen zijn behandeld door de plaatsingsadviescommissie en de bezwarenadviescommissie, welke commissies waren ingesteld op basis van de door de burgemeester van 's-Hertogenbosch gegeven Uitvoeringsregeling Sociaal Statuut Politieregio Noord-Brabant Noord. Bij besluit van 22 september 1993 heeft gedaagde besloten de waardering van de oorspronkelijke functie niet te wijzigen en de bezoldiging te handhaven op schaal 11. Nadat gedaagde op 27 september 1993 een nog aan goedkeuring onderworpen plaatsingsbeslissing had genomen, heeft appellant op 22 oktober 1993 van zijn bezwaren tegen de beslissing van 22 september 1993 doen blijken; hij verzocht gedaagde hem met terugwerkende kracht tot en met 1 april 1991 te bezoldigen volgens schaal 12. Bij brief van 7 februari 1995 heeft gedaagde appellant medegedeeld dat, na verkregen goedkeuring van het personeelsplan waarin de plaatsing was opgenomen, de plaatsingsbeslissing van 27 september 1993 definitief was; het uitgangspunt daarbij was gebleven de oorspronkelijke functie in schaal 11. Appellant heeft op 10 maart 1995 beroep ingesteld. In het aanvullend beroepschrift werd "duidelijkheidshalve" vermeld dat het punt van geschil is: "de weigering om de heer A te bezoldigen volgens schaal 12 met terugwerkende kracht tot 1 april 1991. De functiewaardering van de oorspronkelijke functie ligt hieraan ten grondslag." De rechtbank heeft bij de thans aangevallen uitspraak dit beroep ongegrond verklaard. Naar aanleiding van het tegen die