Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-02-25
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3894
97/5681 AW en 97/5682 AW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A te B, appellant 1, C te D, appellant 2, en de Korpsbeheerder van de politieregio Haaglanden, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Appellanten hebben op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 26 mei 1997 onder de nummers AWB 97/47 AW en AWB 97/48 AW tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Appellanten hebben nadien een rapport van de Nationale ombudsman ter kennis van de Raad gebracht. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 28 januari 1999, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr D. Duijvelshoff, medewerker van de Nederlandse Politiebond. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr E. Visser, werkzaam bij de politieregio Haaglanden. II. MOTIVERING Tegen (onder meer) appellanten, die beiden reeds lange tijd werkzaam waren als politieambtenaar, is in 1994 door een kantinemedewerkster aangifte gedaan van verkrachting en aanranding. In verband daarmee zijn appellanten in april 1995 als verdachten aangehouden, voorgeleid en in verzekering gesteld. Appellant 1 heeft alle beschuldigingen ontkend. Appellant 2 heeft erkend een relatie met de aangeefster te hebben gehad, maar met haar volledige instemming. Na hun invrijheidstelling zijn appellanten door gedaagde in het belang van de dienst geschorst. In juli 1995 heeft de Hoofdofficier van Justitie te 's-Gravenhage besloten geen vervolging tegen appellanten in te stellen omdat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig was. In aansluiting daarop heeft gedaagde de schorsing van appellanten met ingang van 21 juli 1995 opgeheven. In het desbetreffende besluit is tevens medegedeeld dat wel een tuchtrechtelijke procedure zal worden gestart. Appellanten hebben hierna hun vroegere werkzaamheden hervat. De aangeefster heeft tegen het besluit om geen vervolging in te stellen op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering een klacht ingediend bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. Op 15 februari 1996 heeft de Commissie van advies in tuchtzaken (hierna: CAT) aan de korpschef geadviseerd appellanten wegens zeer ernstig plichtsverzuim te straffen met onvoorwaardelijk ontslag. Gedaagde heeft direkt na ontvangst van dat advies, op voorstel van de korpschef, appellanten bij besluiten van 15 februari 1996 opnieuw geschorst in het belang van de dienst. Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen die schorsing. Bij (primaire) besluiten van 11 juli 1996 zijn appellanten wegens zeer ernstig plichtsverzuim met ingang van 1 augustus 1996 ontslagen. Op 30 juli 1996 heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage de klacht van aangeefster tegen het niet vervolgen van (onder meer) appellanten afgewezen. Bij de thans in geding zijnde besluiten van 13 november 1996 zijn de bezwaren van appellanten tegen de schorsingsbesluiten (en tegen de ontslagbesluiten) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellanten tegen hun ontslag gegrond verklaard en de ontslagbesluiten vernietigd, omdat de rechtbank niet kon inzien hoe gedaagde op grond van dezelfde stukken als waarover het Gerechtshof de beschikking had, wel tot de overtuiging heeft kunnen komen dat appellanten zich daadwerkelijk aan het hun ten laste gelegde hebben schuldig gemaakt. Gedaagde heeft in die uitspraak berust. Het beroep tegen de schorsingsbesluiten heeft de rechtbank ongegrond verklaard, om reden dat een advies om appellanten te straffen met ontslag wegens zeer ernstig plichtsverzuim, mede gelet op de aard van het gestelde plichtsverzuim, "al snel tot het oordeel (zal en mag) leiden dat het belang van de dienst vordert dat de (desbetreffende ambtenaren) worden geschorst". In hoger beroep hebben appellanten doen aanvoeren dat gedaagde bij afweging van belangen op 15 februari 1996 niet opnieuw tot schorsing had ku