Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1999-01-29
ECLI:NL:CRVB:1999:AA3662
97/7427 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B, appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I.ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Havenen aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Namens appellant is mr M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam, in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam onder dagtekening 8 juli 1997 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Desverzocht heeft gedaagde nog stukken ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 18 december 1998, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr A.E.J.M. Gielen, werkzaam bij Gak Nederland B.V. II. MOTIVERING Voor de Raad vormen de volgende feiten en omstandigheden het uitgangspunt bij zijn oordeelsvorming. Bij besluit van 20 juni 1995 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 23 juni 1995 uitkeringen op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Namens appellant is tegen dit besluit beroep ingesteld. Hangende dit beroep heeft gedaagde gelet op het bepaalde in artikel 26, tweede lid, van de AAW en artikel 36, tweede lid, van de WAO, waarin de zogenoemde eerstejaarsherbeoordeling is voorgeschreven binnen een jaar na ingang van voornoemde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen bezien of er gronden aanwezig waren voor herziening of intrekking van die uitkeringen. Bij besluit van 9 april 1996 heeft gedaagde aan appellant bericht dat gelet op de resultaten van het door gedaagde in dat kader ingestelde onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 35 tot 45% (besluit I). Ook tegen dit besluit is namens appellant beroep ingesteld. Bij uitspraak van 5 juni 1996 heeft de rechtbank het besluit van 20 juni 1995 vernietigd. Hangende het beroep tegen besluit I heeft gedaagde bij brief van 25 juli 1996 aan de rechtbank mededeling gedaan van een ten aanzien van appellant genomen besluit van 23 juli 1996 (besluit II). Bij dit besluit heeft gedaagde aan appellant met ingang van 23 juni 1995 uitkeringen op grond van de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Tevens werd aan appellant medegedeeld dat gelet op de resultaten van de zogeheten eerstejaarsherbeoordeling de mate van zijn arbeidsongeschiktheid ongewijzigd dient te worden vastgesteld op 45 tot 55%. Blijkens het door gedaagde in de hierboven genoemde brief van 25 juli 1996 gestelde komt besluit II in de plaats van het door de rechtbank bij uitspraak van 5 juni 1996 vernietigde besluit van 20 juni 1995 alsmede in de plaats van besluit I. Bij schrijven van 19 september 1996 is namens appellant aan de rechtbank verzocht het beroep tegen het besluit I mede gericht te achten tegen besluit II, alsook dat besluit te vernietigen en te bepalen dat appellant op en na 23 juni 1995 aanspraak kan maken op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ingevolge de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij uitspraak van 16 december 1996, gegeven met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft de rechtbank het beroep tegen besluit I kennelijk gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat gedaagde aan appellant het gestorte griffierecht vergoedt en