Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-08-12
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7814
96/7891 + 7892 WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B (Italië), appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Hout- en Meubelindustrie en de Groothandel in Hout. In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 20 juli 1995 (besluit I) heeft gedaagde appellants aanspraak op uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingaande 1 augustus 1973 vastgesteld op f 44,76 per dag. Bij besluit van eveneens 20 juli 1995 (besluit II) heeft gedaagde appellants WAO-uitkering herberekend ingaande 1 januari 1985 en deze vastgesteld op f 69,53 per dag. Voorts heeft gedaagde in dit besluit vastgesteld dat na 1 januari 1985 geen wijziging in omstandigheden is opgetreden welke aanleiding zou kunnen of moeten zijn voor aanpassing van het op appellants uitkering in mindering te brengen bedrag aan Italiaans invaliditeitspensioen. De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 2 juli 1996 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Appellant is bij gemachtigde R. van der Molen te Heemskerk van deze uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de bij aanvullend beroepschrift van 2 december 1996 aangevoerde gronden heeft deze gevorderd het besluit van gedaagde, strekkende tot weigering van herberekening van de op appellants WAO-uitkering toe te passen korting, alsnog te vernietigen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellants gemachtigde heeft bij brieven van 4 april 1997 en 19 maart 1998 nadere stukken ingezonden. Op verzoek van de Raad hebben de rechtbank te Amsterdam en gedaagde stukken ingezonden betreffende een eerder geding tussen appellant en gedaagde. Deze stukken zijn aan het dossier toegevoegd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 1 juli 1998. Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde R. van der Molen, voornoemd. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde M. Elfferich, werkzaam bij GAK Nederland B.V. II. MOTIVERING Appellant ontvangt, na achtereenvolgens in Italië en Nederland werkzaamheden te hebben verricht, sedert 2 juli 1973, respectievelijk 1 augustus 1973, een Nederlandse en een Italiaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering. Bij besluit van 29 april 1993 heeft gedaagde de aan appellant per 1 augustus 1973 toekomende WAO-uitkering vastgesteld, rekening houdend met het feit dat hij tevens een Italiaanse uitkering ontving. Daarbij heeft gedaagde toepassing gegeven aan het - destijds en ten tijde in geding van kracht zijnde - Koninklijk Besluit van 22 december 1972, Stb. 772, berustend op artikel 52 (oud) van de WAO (nader: het KB). Het resultaat daarvan heeft gedaagde overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen vergeleken met de vaststelling van de WAO-uitkering onder toepassing van artikel 46 van de EG-verordening nr 1408/71 (nader: de Verordening) inzake de samenloop van uitkeringen. Aangezien deze laatste berekening niet tot een voor appellant gunstiger resultaat leidde, heeft gedaagde de WAO-uitkering met toepassing van het KB ingaande 1 augustus 1973 vastgesteld op f 48,72 - f 5,11 aan Italiaanse uitkering = f 43,61 per dag. De rechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 30 december 1994 het besluit van 29 april 1993 vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde bij de vaststelling van het op appellants WAO-uitkering in mindering te brengen bedrag aan Italiaanse uitkering een onjuiste koers van de Italiaanse lire heeft gehanteerd. Partijen hebben in deze uitspraak berust. Vervolgens