Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-01-22
ECLI:NL:CRVB:1998:ZB7439
96/7622 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: [A. te B.], appellante, en het dagelijks bestuur van het Centrum voor Muziek en Dans Midden-Langstraat, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Breda op 5 juli 1996 onder nr. 94/3271 AW V gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Bij brief van 24 november 1997 zijn namens gedaagde nadere stukken aan de Raad gezonden. Van de zijde van appellante zijn tevens nadere stukken ingezonden. Het geding is behandeld ter zitting van 11 december 1997, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr D. Wolfs, medewerkster van de Nederlandse toonkunstenaarsbond, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr M.J.M. Schoonhoven, medewerker van het Centraal Adviesbureau voor publiek recht en administratie te 's-Hertogenbosch. II. MOTIVERING Appellante is op 1 mei 1970 als docente ballet in dienst getreden bij de Waalwijkse Muziekschool, sedert 1988 het bij een gemeenschappelijke regeling ingestelde Centrum voor Muziek en Dans Midden-Langstraat (CMD). Haar betrekking had laatstelijk een omvang van 7 uur en 30 minuten per week. Op 23 december 1993 heeft het algemeen bestuur van het CMD besloten tot een reorganisatie, zulks naar aanleiding van vermindering van de bijdragen van enkele deelnemende gemeenten (waaronder Drunen). In het kader van die reorganisatie is besloten tot opheffing met ingang van 1 januari 1994 van de door appellante gegeven cursus klassiek ballet te Drunen. Bij besluit van 24 januari 1994 is appellante met ingang van 1 mei 1994 ontslagen wegens opheffing van haar betrekking. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 juni 1994 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Door en namens appellante zijn bezwaren van formele en van inhoudelijke aard aangevoerd. Het formele bezwaar houdt in dat in strijd met de toepasselijke regelgeving geen georganiseerd overleg heeft plaatsgevonden voorafgaande aan het reorganisatieplan, dat ten grondslag ligt aan het ontslagbesluit. Inhoudelijk heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het ten onrechte niet toepassen van de voorgeschreven afvloeiingsvolgorde nu er naar haar mening geen sprake is van opheffing van haar betrekking doch van vermindering van functie-omvang. Appellante stelt dat vanwege het CMD in Waalwijk klassiek ballet wordt gegeven door een docente met een lagere anciënniteit dan appellante, zodat uren van die docente aan appellante hadden moeten worden toegewezen. De Raad overweegt allereerst dat naar zijn oordeel niet kan worden staande gehouden dat het reorganisatiebesluit tot stand is gekomen in strijd met artikel A 3 van het in 1991 vastgestelde (en van toepassing op nadien aangesteld personeel) Algemeen Reglement van Ambtenaren werkzaam bij instellingen voor Kunstzinnige Vorming (RAKV) dan wel artikel A 5 van het, ingevolge artikel II van de op appellante van toepassing gebleven Rechtspositieregeling Docenten, Consulenten en Balletbegeleiders (RDCB) met inachtneming van hetgeen overigens in die regeling is bepaald, van overeenkomstige toepassing verklaarde Algemeen Ambtenarenreglement van de gemeente Waalwijk (AAR), nu bij het CMD geen commissie voor georganiseerd overleg bestaat terwijl - naast overleg met alle personeelsleden - onder meer de Nederlandse toonkunstenaarsbond is ingeschakeld. De Raad moet thans bezien of de aan het ontslag ten grondslag gelegde opvatting van gedaagde dat aan de orde is de opheffing van appellantes betrekking en derhalve geen afvloeiingsvolgorde behoefde te worden gehanteerd in rechte stand kan houden. Ingevolge het bepaalde in artikel II en artikel III van de - op appellante van toepassing gebleven - RDCB luiden