Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-08-25
ECLI:NL:CRVB:1998:AB2280
97/5165 ABW U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., appellante, en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Als gemachtigde van appellante heeft mr N.M.H. Neijsen, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Enschede, op de bij beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Almelo onder dagtekening 29 april 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft d.d. 29 oktober 1997 een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 14 juli 1998, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Neijsen, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente Enschede. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellante, geboren in 1940, heeft een studerende dochter, C., die op 20 december 1977 is geboren. Appellante ontvangt sedert 1980 een uitkering ingevolge de ABW. Begin 1995 heeft appellante een erfenis ontvangen in verband waarmee ge-daagde bij besluit van 7 maart 1995 de uitkering van appellante met ingang van 1 februari 1995 heeft beëindigd. Hij heeft daarbij overwogen dat het vermogen van appellante ten bedrage van f 47.313,88 het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen van f 18.400,-- overtreft. Bij dat besluit is voorts aan appellante medegedeeld dat zij omstreeks 22 december 1995 opnieuw een aanvraag om bijstand kan indienen indien zij dan niet zou kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Eind december 1995 heeft appellante gedaagde verzocht om haar wederom een uitkering ingevolge de ABW toe te kennen. Die aanvraag is bij primair besluit van 22 januari 1996 afgewezen op de grond dat het vermogen van appellante ten bedrage van f 21.034,34 het vrij te laten bescheiden vermogen met f 11.834,34 overtreft. Daarbij is overwogen dat appellante voor de toepassing van de ABW als een alleen-staande wordt aangemerkt sedert haar dochter C., voornoemd, de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, zodat het vrij te laten bescheiden vermogen f 9.200,-- bedraagt. Het door appellante tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift, dat zich richtte tegen de vaststelling van het vrij te laten bescheiden vermogen op een bedrag van f 9.200,--, is door gedaagde bij het bestreden besluit van 15 juli 1996 ongegrond verklaard. Hij heeft daartoe onder andere het volgende overwogen: "Naar aanleiding van de door u op 27-12-1995 ingediende aanvraag werd door de sociale dienst een nieuw onderzoek ingesteld. U bleek nog te beschikken over een vermogen ad f 21.034,34. Geconcludeerd werd dat, nu uw dochter op 20-12-1995 de leeftijd van 18 jaar had bereikt, u voor de ABW niet meer aangemerkt kon worden als één-ouder gezin maar als alleenstaande. Derhalve werd dan ook voor een vermogensvaststelling uitgegaan van het lagere bedrag voor het vrij te laten vermogen ad f 9.200,--. Echter, ingevolge het bepaalde in de Wet Studiefinanciering, gaat een eventuele studiebeurs eerst in het kwartaal, na het kwartaal waarin de betrokkene 18 jaar is geworden, in casu 01-01-1996. Tot en met 31-12-1995 behield u dan ook uw recht op kinderbijslag voor de bij u inwonende en ten laste van u komende dochter. Derhalve diende bij de behandeling van de aanvraag d.d. 27-12-1995, tot 01-01-1996 qua vrij te laten vermogen te worden uitgegaan van f 18.400,--. Na 01-01-1996 gold echter wel het lagere bedrag ad f 9.200,-- (na indexering f 9.300,--). De feitel