Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-12-18
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8806
96/8713 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdien-sten. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 12 april 1995 heeft appellant de uitkeringen van gedaagde ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 juni 1995 ingetrokken, onder overweging dat de mate van gedaagdes arbeidsongeschiktheid met ingang van die datum minder dan 25 respectievelijk 15% was. De arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 31 juli 1996 het door gedaagde tegen voormeld besluit ingesteld beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden, uiteengezet in het hoger beroepschrift van 12 september 1996, is de Raad verzocht de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren. Bij brief van 19 juni 1998 heeft appellant een aanvulling gegeven op het hoger beroepschrift. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 1 juli 1998, waar appellant zich heeft laten vertegen-woordigen door E.J.J. Loontjens, werkzaam bij Gak Nederland B.V., terwijl gedaagde in persoon is versche-nen, bijgestaan door W.E.C.J. Franssen. Bij brieven van 7 juli 1998 zijn partijen van de zijde van de Raad bericht dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat het wordt heropend. Partijen hebben schriftelijk toestemming verleend voor het achterwege blijven van een nadere behandeling van het geding ter zitting. II. MOTIVERING Gedaagde heeft op 28 juni 1983 zijn werkzaamheden als cafetaria-bediende gestaakt wegens oogklachten bij diabetes mellitus. Nadat hij gedurende de maximale termijn een uitkering ingevolge de Ziektewet had ontvangen, zijn aan gedaagde met ingang van 26 juni 1984 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij beslissing van 1 juli 1985 is de uitkering ingevolge de AAW ingaande 1 juni 1985 ingetrokken en de uitkering ingevolge de WAO herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Op 5 mei 1986 is gedaagde gaan werken als hulpmonteur. Vervolgens is hij op 24 mei 1986 uitgevallen met voren-vermelde klachten. Na een maximale periode van uitkering ingevolge de Ziektewet te hebben ontvangen is gedaagde met ingang van 27 mei 1987 wederom ingedeeld in de arbeidsongeschikt-heidsklasse van 80 tot 100%. Bij bestreden besluit van 12 april 1995 zijn de uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO met ingang van 1 juni 1995 ingetrokken op de grond dat gedaagde in passende functies een inkomen kan verdienen dat 14,5% lager is dan zijn maatmaninkomen. De rechtbank heeft het beroep tegen voormeld besluit bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant de medische beperkingen van gedaagde juist heeft vastgesteld en dat gedaagde gelet op zijn krachten en bekwaamheden in staat is te achten de door de arbeidsdeskundige geselec-teerde functies te vervullen. De rechtbank kon zich echter niet verenigen met de wijze waarop appellant de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde heeft vastgesteld, namelijk door het in een uurloon uitgedrukte maatmaninkomen van gedaagde te verge-lijken met de eveneens in een uurloon uitgedrukte reste-rende verdi