Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-02-25
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8748
96/7142 AAW/WAO 0. U I T S P R A A K in het geding tussen: A, wonende te B (Marokko), appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Hotel-, Restaurant-, Café-, Pension- en aanverwante bedrijven. In deze uit-spraak wordt onder gedaagde mede verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 26 juni 1995 heeft gedaagde, naar aan-leiding van een aangifte van arbeidsongeschiktheid welke bij appellant in maart 1981 zou zijn ingetreden, gewei-gerd hem uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsonge-schiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschikt-heidsverzekering (WAO) toe te kennen. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 4 juni 1996 het tegen dit besluit inge-stelde beroep ongegrond verklaard. Namens appellant heeft mr J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en gevorderd dat aan appellant alsnog een arbeidsonge-schiktheidsuitkering wordt toegekend. Gedaagde heeft op 13 december 1996 een verweerschrift ingediend. Mr Van Haren heeft het standpunt van appellant nader toegelicht bij brief van 15 februari 1997, waarop namens gedaagde bij brieven van 28 februari 1997 en 13 januari 1998 is gereageerd. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 februari 1998. Appellant is daar verschenen bij zijn gemachtigde mr Van Haren, voornoemd. Gedaagde is ver-schenen bij gemachtigde M. Elfferich, werkzaam bij GAK Nederland B.V. II. MOTIVERING - met betrekking tot de behandeling van het geding ter zitting: Op 1 januari 1998 is, als onderdeel van de zogenoemde Pembawetgeving (Wet van 24 april 1997, Stb. 175, jo. Besluit van 2 september 1997, Stb. 391) in werking getreden artikel 88h van de WAO, luidende als volgt: "1. In afwijking van artikel 8:62 van de Algemene wet bestuursrecht vindt het onderzoek ter zitting, voor zover betrekking hebbend op medische gegevens, met gesloten deuren plaats. 2. In de uitnodiging als bedoeld in artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht wordt mededeling gedaan van het bepaalde in het vorige lid.". De Raad acht termen aanwezig om zich ambtshalve uit te spreken over de vraag of dit voorschrift zich verdraagt met de vereisten voor een eerlijk proces zoals onder meer besloten liggend in een ieder verbindende verdragsbepa-lingen als artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en artikel 14, eerste lid, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Zich in het bijzonder oriënterend op de rechtspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens te Straatsburg inzake artikel 6 EVRM, stelt de Raad aller-eerst vast dat het in dit geding gaat om een burgerlijk recht in de zin van artikel 6 EVRM (vgl. arrest Schuler-Zgraggen vs Zwitserland d.d. 24 juni 1993, RSV 1994/69), en dat hier derhalve van toepassing is het voorschrift van het eerste lid van die bepaling, inhoudende dat een ieder recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak. Dit voorschrift kent de beperkingen als neergelegd in de tweede volzin van artikel 6, eerste lid, en binnen die beperkingen wordt in de jurisprudentie van het Hof te Straatsburg de mogelijkheid aanvaard dat procespartijen uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afstand doen van dit hun toegekende recht, mits zulks niet in strijd is met enig gewichtig openbaar belang (vgl arrest Hakansson en Sturesson vs Zweden d.d. 21 februari 1990, series A, vol. 171; zie ook HR 15 november 1996, NJ 1997, 275). Voorts dienen de omstandigheden