Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-07-10
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8688
97/3051 ZFW U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, appellant, en OWM ANOVA Zorgverzekeringen U.A., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant is op bij het beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Utrecht onder dagtekening 2 februari 1997 tussen partijen gegeven uitspraak. Bij brief van 10 oktober 1997 heeft gedaagde een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 mei 1998, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr J. van Zanten, werkzaam bij gedaagde. II. MOTIVERING Bij besluit van 2 februari 1995 heeft gedaagde, na gedaan bezwaar, de weigering gehandhaafd om appellants echtgenote met ingang van 19 april 1992 in het kader van de Ziekenfondswet (ZFW) als medeverzekerde aan te merken. Bij dat besluit is voorts meegedeeld dat appellants kinderen over de periode van 19 april 1992 tot 1 mei 1994 recht hebben op medeverzekering en dat in verband hiermee restitutie kan worden verleend van de over dit tijdvak terzake betaalde premie van de particuliere ziektekostenverzekering. Met betrekking tot de medeverzekering van appellants kinderen over de periode vanaf 1 mei 1994 heeft appellant nog een afzonderlijk besluit in het vooruitzicht gesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard voor zover dit betrof de medeverzekering van zijn kinderen vanaf 1 mei 1994, de handhaving van het verzekeringspakket van zijn echtgenote en de gevraagde restitutie van de ten behoeve van haar vanaf april 1992 betaalde verzekeringspremie, op de grond dat bij het bestreden besluit omtrent deze onderwerpen niet was besloten. Het beroep voor zover gericht tegen de weigering van gedaagde om appellants echtgenote over de periode 19 april 1992 tot 1 mei 1994 als medeverzekerde aan te merken, heeft de rechtbank ongegrond verklaard. Het bestreden besluit tot weigering van medeverzekering van appellants echtgenote vanaf 1 mei 1994 is, met instandlating van de rechtsgevolgen, vernietigd. Het hoger beroep van appellant richt zich onder meer tegen evenvermelde niet-ontvankelijkheidsverklaring. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dienaangaande, onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt deze tot de zijne. De omstandigheid dat de door appellant aan de orde gestelde onderwerpen, zoals hij aanvoert, nauw samenhangen met zijn bezwaren tegen het bestreden besluit, kan niet wegnemen dat bij dat besluit daaromtrent niet is beslist en dat deze derhalve in dit geding niet aan de orde kunnen komen. Met betrekking tot de partijen ook in hoger beroep verdeeld houdende vraag of appellants echtgenote vanaf 19 april 1992 als medeverzekerde in het kader van de ZFW is aan te merken overweegt de Raad als volgt. Appellants echtgenote was van 8 april 1991 tot 1 november 1992 uit hoofde van haar dienstverband bij de vennootschap onder firma "X" en van 1 november 1992 tot 1 mei 1994 uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst bij de Montessorischool te Y ingevolge artikel 3, eerste lid, van de ZFW verplicht verzekerd. Reeds op de grond dat artikel 4, zestiende lid, onder a van de ZFW bepaalt dat niet als medeverzekerd wordt aangemerkt de verzekerde bij of krachtens artikel 3, eerste lid, van de ZFW, kan appellants echtgenote over deze periode niet als medeverzekerde worden aangemerkt. Van een in casu geldende wettelijke uitzondering hierop is de Raad niet gebleken. Gedaagde heeft, voor zover in hoger beroep nog van belang, appellantes echtgenote vanaf 1 mei 1994 niet als medeverzekerde willen aanmerken, omdat appellant geen kostwinner is. Dienaangaande overweegt de Raad het volgende. Ingevolge artikel 4, twaalfde lid, onder c, van de ZFW is de Minister bevoegd nadere regelen te stellen naar welke wordt beoordeeld of een verzekerde als kostwinner wordt aangemerkt. Van deze bevoegdheid is gebruik gema