Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-06-02
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8640
97/6447 WW 97/6452 WW Q. U I T S P R A A K in het geding tussen: A te B, hierna: betrokkene, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, hierna: Lisv. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Lisv in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv de rechtsopvolger van (het bestuur van) de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna: NAB). Mr P.H.E. Voûte, advocaat te Rotterdam, namens betrokkene, alsmede het Lisv hebben op bij aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een onder dagtekening 5 juni 1997 door de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam gewezen uitspraak, welke betrekking heeft op een geschil tussen partijen inzake de uitvoering van de Werkloosheidswet (hierna: WW). Partijen hebben een verweerschrift ingediend. Het geding is met een aantal soortgelijke gedingen gevoegd behandeld ter zitting van de Raad op 21 april 1998, waar betrokkene is verschenen bij gemachtigden mr Voûte, voornoemd, alsmede haar kantoorgenoot mr G.P.H. Kreijen en voorts mr A.L. van Itzinga, werkzaam bij de werkgeversvereniging AWVN en ir B.C.A. Nooijen, secretaris van de Stichting Uittreding Havenbedrijven (hierna: STUH). Het Lisv heeft zich aldaar doen vertegenwoordigen door mr W.H.C. van Eck, mr W.M.J. Evers en M. Elfferich, allen werkzaam bij Gak Nederland bv. Ter voormelde zitting hebben partijen in een aantal gedingen hun hoger beroep ingetrokken. Na afloop van de gevoegde behandeling zijn de resterende gedingen -de betreffende zaaknummers en de namen en woonplaatsen van de betrokkenen staan vermeld op de aan deze uitspraak gehechte bijlage-, waaronder het onderhavige, weer gesplitst en wordt hierin afzonderlijk uitspraak gedaan. II. MOTIVERING De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de WW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang. Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Op grond van de zogeheten ouderenrichtlijn (richtlijn inzake het ontslagbeleid voor oudere werknemers) van 22 december 1987 was het mogelijk oudere werknemers bij voorrang te ontslaan. Onder bepaalde voorwaarden kon de directeur Arbeidsvoorziening afwijken van het anciënniteits- en afspiegelingsprincipe ten aanzien van oudere werknemers. Werknemers die op grond van deze regeling waren ontslagen, werden (collectief) niet-verwijtbaar werkloos in de zin van de WW beschouwd. Nadat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid reeds in een persbericht van 29 oktober 1992 het voornemen daartoe had bekendgemaakt, is de ouderenrichtlijn met ingang van 1 januari 1994 ingetrokken. Dit had tot gevolg dat werknemers van 55 jaar en ouder niet langer met toestemming van de Arbeidsvoorziening bij voorrang konden afvloeien. Op 21 november 1993 hebben de werknemers- en werkgeversorganisaties in de Amsterdamse en Rotterdamse havens een akkoord gesloten met daarin opgenomen een uittredingsregeling voor werknemers, geboren in de jaren 1937 tot en met 1941 en die voor hun pensioenvoorziening zijn aangesloten bij de Stichting Pensioenfonds voor de Vervoer- en Havenbedrijven (hierna: PVH). Op grond van dit zogenoemde Havenakkoord konden voornoemde werknemers, die van de regeling gebruik maakten, onder meer aanspraak maken op een aanvulling op hun WW-uitkering. Die aanvulling werd uitbetaald door de STUH. Deelnemers aan de regeling hebben het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (hierna: GAK) gemachtigd hun WW-uitkering over te maken aan de STUH. Dit Havenakkoord was voor de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanleiding bij brief van 15 december 1993 aan de Toezichtkamer van de toenmalige Sociale Verzekeringsraad (SVr) te verzoeken geëigende maatregelen te nemen, teneinde een juiste De NAB heeft de wijze waarop aan de dienstbetrekking tussen betrokkene en X een einde is gekomen -hoewel feitelijk gegoten in de vorm van een beëindiging met wederzijds goedvinden- gelet op de onderliggende omstandigheden aangemerkt als een ontslagneming als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW en betrokkene op grond daarvan verwijtbaar werkloos geacht. Om die reden heeft de NAB bij primair besluit van 3 oktober 1995 op de bij dat besluit met ingang van 4 mei 1995 aan betrokkene toegekende WW-uitkering, voor zover hier van belang, een sanctie toegepast van 30% gedurende 21 weken. Bij het bestreden besluit van 18 maart 1996 is het tegen deze sanctie ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak tot het oordeel gekomen dat betrokkene verwijtbaar werkloos is geworden als bedoeld in artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW en dat de NAB derhalve bevoegd was tot het treffen van een sanctie. Met betrekking tot de wijze waarop de NAB van die sanctiebevoegdheid gebruik heeft gemaakt, heeft de rechtbank overwogen dat in het onderhavige geval, en ook in vrijwel alle andere gevallen die door de Habivi aan de NAB zijn overgedragen, is besloten tot een sanctie van 30% gedurende 21 weken, ongeacht aard en ernst van de gewraakte overtreding en ongeacht de bijzondere omstandigheden van het geval. Een dergelijke categorische sanctietoepassing zonder enige, op het concrete geval toegespitste, belangenafweging en zonder inachtneming van alle relevante factoren van het individuele geval heeft de rechtbank niet in overeenstemming geacht met het in de Algemene wet bestuursrecht neergelegde motiverings- en evenredigheidsbeginsel. Om die reden heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit, voor zover betreffende de korting op de WW-uitkering van 30% gedurende 21 weken, vernietigd en bepaald dat het Lisv opnieuw op bezwaar beslist, onder toewijzing van het griffierecht. Betrokkene stelt zich op de in hoger beroep nog gehandhaafde gronden op het standpunt dat hij niet verwijtbaar werkloos is geworden, zodat in het geheel geen bevoegdheid tot het opleggen van een sanctie bestaat. Subsidiair acht hij de hem opgelegde sanctie te zwaar. Het hoger beroep van het Lisv spitst zich toe op het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de wijze waarop van de sanctiebevoegdheid gebruik is gemaakt. De Raad overweegt het volgende. De gemachtigde van betrokkene heeft aangevoerd dat het betrokkene voor de toepassing van de WW reeds hierom niet aangerekend kan worden dat hij heeft ingestemd met de beëindiging van zijn dienstverband, omdat hij wist dat de Habivi een en ander altijd akkoord had bevonden, terwijl het hem voorts niet bekend was dat de NAB hier duidelijk afstand van had genomen. Het Lisv heeft gesteld dat betrokkene in ieder geval na de publikatie in de Staatscourant van het hiervoor genoemde Besluit van 20 oktober 1994 geacht moet worden geweten te hebben dat een sanctie terzake niet langer uitgesloten was te achten. Laatstgenoemd standpunt wordt door de Raad onderschreven. Weliswaar is uit het in dit verband door de gemachtigde van betrokkene aangehaalde onderzoek van de Toezichtkamer gebleken dat de tot 1 oktober 1994 gevoerde uitvoeringspraktijk nog steeds inhield dat geen sanctie werd opgelegd, maar daarmee is op zich niet gegeven dat die uitvoeringspraktijk na de publikatie in de Staatscourant -al dan niet met een overgangstermijn- ook met betrekking tot nieuwe gevallen is voortgezet. De hiervoor weergegeven grief van betrokkene treft derhalve geen doel. Omtrent de toepassing van artikel 24, tweede lid, onder b, van de WW overweegt de Raad voorts het volgende. Betrokkene is door of namens zijn werkgever benaderd om deel te nemen aan de uittredingsregeling. Op het aanvraagformulier voor een WW-uitkering heeft betrokkene vermeld dat hij ontslag heeft gekregen. Voorts heeft betrokkene doen aanvoeren dat er bij zijn werkgever veel te veel personeel in dienst was en dat er daa