Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-01-21
ECLI:NL:CRVB:1998:AA8487
95/8697 AAW/WAO 97/1011 AAW/WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), en A., wonende te B.(verder: verzekerde). I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Bank- en Verzekeringswezen, Groothandel en Vrije Beroepen. In deze uitspraak wordt onder het Lisv tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 2 februari 1995 heeft het Lisv aan ver-zekerde met ingang van 20 februari 1995 uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe-gekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uit-spraak van 27 oktober 1995 het door verzekerde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestre-den besluit vernietigd en bepaald dat het Lisv een nieuw besluit neemt met inachtneming van het in de uitspraak gestelde. Het Lisv heeft tegen die uitspraak hoger beroep inge-steld. Op de gronden, uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 26 januari 1996, is de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren. Tevens is hierbij een besluit d.d. 12 december 1995 overgelegd, waarbij aan verzekerde met ingang van 20 februari 1995 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO worden toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Namens verzekerde is een verweerschrift ingediend, gedateerd 29 maart 1996. Nadat de Raad aan partijen en de rechtbank had medege-deeld dat genoemd besluit van 12 december 1995 met toe-passing van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in de beoordeling zou worden betrokken, heeft het Lisv bij brief van 18 februari 1997 nadere stukken overgelegd, die aan dat besluit ten grondslag hebben gelegen. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 24 juni 1997, waar het Lisv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr C.B. Borreman, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar namens verzekerde is verschenen mr T.T.M.L. Boersma, advocaat te Vlaardingen. Daar de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest, is het onderzoek heropend. De arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft zich naar aanleiding van het namens gedaagde tegen genoemd besluit van 12 december 1995 ingestelde beroep bij uitspraak van 16 juni 1997 onbevoegd verklaard kennis te nemen van het geschil tussen partijen. De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 december 1997, waar partijen niet zijn verschenen. II. MOTIVERING Verzekerde heeft zijn werkzaamheden als administratief medewerker gestaakt op 21 februari 1994 wegens rug- en beenklachten (trombose). Nadat hij gedurende de maximale termijn een uitkering ingevolge de Ziektewet had ont-vangen, zijn aan hem bij het in geding zijnde besluit d.d. 2 februari 1995 met ingang van 20 februari 1995 uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO verstrekt, be-rekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij het in rubriek I genoemde besluit d.d. 12 december 1995 is de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde per 20 februari 1995 alsnog bepaald op 35 tot 45%. Allereerst overweegt de Raad dat, nu het Lisv het in het besluit van 2 februari 1995 neergelegde standpunt met betrekking tot de mate van arbeidsongeschiktheid van verzekerde niet langer handhaaft, het hoger beroep niet kan leiden tot het alsnog ongegrond verklaren van het inleidende beroep. Nu met het besluit d.d. 12 december 1995 niet geheel is tegemoetgekomen aan