Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1998-11-19
ECLI:NL:CRVB:1998:AA3654
9618084 AW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Directeur Centrale Dienst Personeel en Organisatie van de Koninklijke landmacht, appellant, en drs. A, wonende te B, gedaagde. 1. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 juni 1996 is de Dienst Personeel Koninklijke Landmacht gereorganiseerd. Met ingang van die datum treedt appellant op als rechtsopvolger van de Directeur Personeel Koninklijke Landmacht (DPKL), zodat in deze uitspraak onder appellant tevens wordt verstaan de DPKL. Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Breda op 5 juli 1996 onder nummer 95/989 AW RE gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is door mr. A.J.M. Poelman, advocaat te Tilburg, een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de Raad heeft appellant bij brief van 8 april 1998 (met bijlagen) enkele vragen beantwoord en nadere stukken ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 29 april 1998, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr F. van der Meyden, plaatsvervangend hoofd van de sectie Juridische Aangelegenheden bij de dienst van appellant en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr A.J.M. Poelman, voornoemd. Na de behandeling van het geding is de Raad gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, zodat het onderzoek is heropend. Van de zijde van de Raad is vervolgens een aantal vragen gesteld aan appellant, welke vragen bij schrijven van 4 september 1998 (met bijlagen) zijn beantwoord. Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 oktober 1998, waar appellant zich wederom heeft laten vertegenwoordigen door mr Van der Meyden, voornoemd en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr Poelman, voornoemd. II. MOTIVERING Bij besluit van 31 oktober 1994 is namens appellant aan gedaagde, die werkzaam was als universitair docent informatica bij de vakgroep wiskunde bij de Koninklijke Militaire Academie (KMA), medegedeeld dat hij niet kan worden geplaatst in een passende functie in de nieuwe organisatie en dat hem per 1 november 1994 de status van herplaatsingskandidaat zal worden toegekend. Het door gedaagde tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij namens appellant genomen besluit van 31 januari 1995 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens gedaagde tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat appellant opnieuw op het bezwaar beslist. Die vernietiging steunde op de overweging dat het hoofd van de afdeling burgerpersoneel, die het besluit op bezwaar ondertekende, ten tijde van het nemen van dit besluit niet bevoegd was om het besluit namens appellant (die daartoe wel bevoegd werd geacht) te nemen en dat de bekrachtiging van dit besluit door appellant, hangende de beroepsprocedure, dit bevoegdheidsgebrek niet heelt. Van de zijde van appellant is in hoger beroep aangevoerd dat in casu geen sprake is van een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat dit niet appellabel moet worden geacht. Voorts is, met verwijzing naar de toepasselijke mandaatsregelingen, aangevoerd dat het onderhavige besluit niet aan een bevoegdheidsgebrek lijdt en mocht dit wel het geval zijn, dat de bekrachtiging van het besluit door appellant hangende het beroep op verzoek van de rechtbank toereikend moet worden geacht. Ten slotte is betoogd dat aan het bij de onderhavige reorganisatie ten aanzien van de herplaatsing gekozen systeem van clustering naar vakgebied en functiegroepering voldoende concrete en zakelijke argumenten ten grondslag hebben gelegen en dat gedaagde op goede gronden niet in beschouwing is genomen voor functies gelegen in andere clusters. Namens gedaagde is dit standpunt gemotiveerd bestreden. Allereerst overweegt de Raad dat de mededeling aan gedaagde dat hij niet wordt geplaatst in de nieuwe organisati