Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-08-27
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7154
95/5681 ZW O. U I T S P R A A K in het geding tussen: Het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij brief van 18 augustus 1994 heeft appellant gedaagde in kennis gesteld van zijn besluit gedaagde naar aanleiding van zijn verzoek d.d. 17 augustus 1994 geen ziekengeld uit te keren. De Arrondissementsrechtbank te Breda heeft bij uitspraak van 23 juni 1995, onder gegrondverklaring van het beroep, het bestreden besluit vernietigd en beslissingen gegeven over de proceskosten en het griffierecht. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift d.d. 22 november 1955 aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep tegen het bestreden besluit alsnog ongegrond te verklaren. Namens gedaagde heeft mr W. Zandberg, advocaat te Tilburg, een verweerschrift d.d. 6 maart 1996 ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 juli 1997, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr A. van Hespen, werkzaam bij Gak Nederland B.V., en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr J. van Os, advocaat te Tilburg, als zijn raadsman. II. MOTIVERING Van toepassing zijn de bepalingen van de Ziektewet (ZW) zoals deze luidde van 1 januari 1994 tot 1 januari 1995. De Raad gaat uit van navolgende feiten en omstandigheden. Gedaagde is als chauffeur in dienst van Station Taxi B.V. Nadat hij eerder van 28 juni 1994 tot 2 juli 1994 wegens knieklachten arbeidsongeschikt was geweest, heeft gedaagde zich per 30 juli 1994 opnieuw ziekgemeld. Terzake van dit ziektegeval was de werkgever een zogenoemde zes-weken werkgever als bedoeld in artikel 29 lid 5 ZW. De controle op het vaststellen van de arbeidsongeschiktheid en de begeleiding van gedaagde werd op aanwijzing van de werkgever door een aan de arbo-dienst ARBONED verbonden arts verricht. Deze arts achtte gedaagde bij onderzoek op 1 augustus 1994 per 30 juli 1994 niet arbeidsongeschikt. Gedaagde kon zich met deze visie niet verenigen en verzocht appellant een onderzoek in te stellen en een oordeel te geven over het bestaan van ongeschiktheid tot werken; kortom, hij verzocht appellant om een zogenoemde 'second opinion'. Aannemende dat gedaagde met zijn werkgever een geschil had over de ongeschiktheid tot werken, heeft een bij appellant werkzaam zijnde arts gedaagde op 3 augustus 1994 onderzocht. Deze arts deelde de conclusie van eerderbedoelde arts en heeft dit gedaagde bij brief van 8 augustus 1994 meegedeeld. Op 17 augustus 1994 heeft gedaagde appellant verzocht om ziekengeld. Bij het bestreden besluit heeft appellant, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 39 c lid 2 ZW, besloten geen ziekengeld uit te keren omdat niet is vastgesteld dat gedaagde ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank allereerst overwogen dat het in een second opinion neergelegde oordeel van appellant ter zake van het bestaan van arbeidsongeschiktheid geen appellabel besluit is. De Raad onderschrijft die opvatting. De brief van 8 augustus 1994 bevat naar het oordeel van de Raad slechts een mededeling van feitelijke aard, en is niet gericht op publiekrechtelijk rechtsgevolg. Blijkens de wetsgeschiedenis is de second opinion van het uitvoeringsorgaan in de eerste plaats bedoeld als een attest, waarvan de werknemer tegenover zijn werk