Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-07-27
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB7010
96/8768 + 8790 AAW/WAO O. U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 14 maart 1995 heeft appellant de aan gedaagde krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekende uitkeringen, die werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 17 april 1995 ingetrokken op de grond dat gedaagdes arbeidsongeschiktheid per die datum moet worden gesteld op minder dan 25, respectievelijk 15%. Namens gedaagde heeft mr W. Zandberg, advocaat te Tilburg, tegen dat besluit beroep ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Breda. Bij brief van 10 augustus 1995 heeft appellant een besluit van 8 augustus 1995 in het geding gebracht, waarbij hij, in verband met een onjuiste berekening van de zogeheten uitlooptermijn, de datum met ingang waarvan gedaagdes uitkeringen krachtens de AAW en de WAO zijn ingetrokken heeft gewijzigd van 17 april 1995 in 6 mei 1995. Appellant heeft de rechtbank verzocht het besluit van 8 augustus 1995 onder toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in haar oordeel te betrekken. Bij uitspraak van 12 augustus 1996 heeft de rechtbank het namens gedaagde ingestelde beroep gegrond verklaard en de besluiten van 14 maart 1995 en 8 augustus 1995 vernietigd. Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Bij brief van 4 april 1997 heeft mr Zandberg, voornoemd, namens gedaagde van verweer gediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 april 1997, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr W.P.J.M. van Gestel, werkzaam bij Cadans Uitvoeringsinstelling B.V., en waar gedaagde, zoals vooraf was bericht, niet is verschenen. II. MOTIVERING Het hoger beroep richt zich tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is beslist dat het besluit van 8 augustus 1995 niet in rechte stand kan houden. Appellant heeft in de eerste plaats aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat laatstgenoemd besluit onvoldoende is gemotiveerd en deswege dient te worden vernietigd. Voorts heeft hij aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat dat besluit, nu de verzekeringsarts -alvorens tot vaststelling van gedaagdes belastbaarheid voor arbeid over te gaan- geen nadere, actuele medische informatie heeft ingewonnen bij de behandelend sector of de huisarts, in strijd is met artikel 3:2 van de Awb. Tot slot heeft appellant aangevoerd dat het bestreden besluit, anders dan de rechtbank heeft aangenomen, wel op een deugdelijke arbeidskundige grondslag is gebaseerd. Gedaagde heeft zich, blijkens bovengenoemd schrijven van 4 april 1997 van haar gemachtigde, gesteld achter de overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Voor de Raad ligt derhalve ter beantwoording de vraag voor of het besluit van 8 augustus 1995, waarbij appellant de aan gedaagde toegekende uitkeringen krachtens de AAW en de WAO, berekend naar een mate van arbeidson-geschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 mei 1995 heeft ingetrokken, in rechte stand kan houden. De Raad beantwoordt deze vraag, anders dan de rechtbank heeft gedaan bij de aangevallen uitspraak, bevestigend en hij overweegt daartoe als volgt. Het Daartoe dienen de voorgehouden functies met de daarbij behorende verdiensten te worden vermeld en dient met behulp van het zogeheten maatmanloon en het zogeheten mediaanloon te worden aangegeven in welke mate sprake is van verlies van verdiencapaciteit. Ook op dit punt acht de Raad de motivering van het bestreden besluit onvoldoende kenbaar en inzichtelijk. Het betoog van appellant, dat in het voorliggende geval vermelding van de motivering achterwege kon blijven omdat redelijkerwijs kon worden aangenomen dat aan de motivering geen behoefte bestond bij gedaagde, kan de Raad niet volgen. In dit verband ontleent hij aan de Memorie van Toelichting bij artikel 4:18 van de Awb het volgende: "Er zijn zeer veel situaties voorstelbaar waarin een (volledige) vermelding van de motivering overbodig is. Dat is het geval als geen enkele belanghebbende behoefte heeft aan vermelding van de motivering, bijvoorbeeld omdat niemand door de beschikking geschaad of belast wordt, omdat de beschikking conform de aanvraag is of omdat de beschikking reeds lang aangekondigd was, en de motivering reeds lang bekend was, zonder dat iemand bezwaar tegen de beslissing zal hebben.". En aan de Memorie van Antwoord met betrekking tot datzelfde artikel ontleent de Raad nog het volgende: "Indien iemand een beschikking aanvraagt waarbij de belangen van niemand anders zijn betrokken, en het bestuursorgaan beslist conform de aanvraag, zal er in het algemeen geen enkele behoefte bestaan aan vermelding van de motivering van de beschikking.". In het voorliggende geval doet zich naar het oordeel van de Raad geen situatie voor met het oog waarop in artikel 4:18, eerste lid, van de Awb is bepaald dat vermelding van de motivering achterwege kan blijven. Tenslotte is naar het oordeel van de Raad artikel 4:19 van de Awb in het voorliggende geval niet van toepassing, daar dit artikel ziet op de situatie dat, indien ter voorbereiding van een beschikking een advies is opgesteld, ter motivering van die beschikking kan worden verwezen naar dat advies, dan wel naar een onderdeel van dat advies. Genoemd artikel stelt daarbij als eis dat dat advies zelf de motivering dient te bevatten en ter kennis van de belanghebbenden is of wordt gebracht. De Raad stelt in dit verband vast dat de aan het in geding zijnde besluit ten grondslag liggende rapportages niet (schriftelijk) ter kennis zijn gebracht van gedaagde. Hoewel de Raad, gelet op bovenstaande overwegingen, van oordeel is dat de motivering van het bestreden besluit niet in voldoende mate kenbaar en inzichtelijk is te achten en derhalve in strijd is met artikel 4:17, eerste lid, van de Awb, is hij tevens van oordeel dat het bestreden besluit, ondanks de schending van genoemd voorschrift, onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb, in stand kan worden gelaten nu dat besluit, gelet op hetgeen hierna nog wordt overwogen, overigens in rechte stand kan houden. Voor zover bij gedaagde onvoldoende duidelijkheid heeft bestaan over de feitelijke en juridische grondslag van het bestreden besluit, is de Raad van oordeel dat in de loop van de procedure voor de rechtbank voldoende duidelijkheid daaromtrent bij haar is ontstaan en zij voorts in de gelegenheid is geweest zich daaromtrent uit te laten. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat gedaagde niet wordt benadeeld door het in stand laten van dat besluit. De Raad is derhalve, anders dan de rechtbank, niet van oordeel dat het bestreden besluit, gelet op de schending van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt. Het hoger beroep, voor zover gericht tegen dit oordeel van de rechtbank, treft derhalve doel. De Raad ziet aanleiding om, nu moet worden geconstateerd dat is beslist in strijd met artikel 4:17 van de Awb, aan die constatering het gevolg te verbinden dat appellant wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten. Het medisch aspect. Het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Awb omdat de verzekeringsa