Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-06-18
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6959
96/1819 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en [Gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij brief van 21 januari 1994 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Ziektewet (ZW). De Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij uitspraak van 28 december 1995, onder gegrondverklaring van het beroep, voormeld besluit vernietigd en (thans) appellant opgedragen om binnen vier weken na de datum van verzending van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming daarvan; voorts zijn beslissingen gegeven omtrent betaling van het griffierecht en de proceskosten; en tenslotte werd het onderzoek heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over het namens (thans) gedaagde gedane verzoek om schadevergoeding. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld en de Raad op de in een aanvullend beroepschrift d.d. 3 juni 1996 aangevoerde gronden verzocht de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, te vernietigen. Namens gedaagde heeft mr M. de Miranda, advocaat te Amsterdam, bij verweerschrift d.d. 11 juli 1996 de Raad verzocht appellant niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep, dan wel dit beroep ongegrond te verklaren, dan wel de behandeling terug te wijzen naar de rechtbank te Amsterdam. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 14 mei 1997, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr W.A. Prins, werkzaam bij Gak Nederland B.V. en waar gedaagde is verschenen bij zijn gemachtigde, mr De Miranda, voornoemd. II. MOTIVERING Voor een uitvoerige weergave van de feiten en hetgeen is voorafgegaan aan het onderhavige besluit verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met te vermelden dat gedaagde op 1 januari 1979 werkzaamheden is gaan verrichten als magazijnbediende in dienst van [naam werkgever 1], dat hij wegens rugklachten met ingang van 7 januari 1980 voor dat werk ongeschikt is geworden en gedurende de maximale termijn van 52 weken als bedoeld in artikel 29 lid 2 ZW (zoals dit artikellid luidde tot 1 januari 1994) ziekengeld heeft ontvangen. Van 28 maart 1988 tot 9 mei 1988 heeft gedaagde als straatveger op arbeidscontract in dienst van de gemeente Amsterdam gewerkt. Met ingang van 13 juni 1988 is hij via het uitzendbureau Intergast hetzelfde werk als straatveger gaan doen bij de stadsreiniging. Op 14 juni 1988 is hij in dat werk uitgevallen wegens darmklachten. Appellant heeft bij besluit van 13 juni 1989 terzake van die ziekmelding ziekengeld geweigerd met gebruikmaking van de aan artikel 44 lid 1, aanhef en sub a, ten eerste, ZW ontleende bevoegdheid. Dat besluit is in hoger beroep door de Raad bij uitspraak van 20 oktober 1993 vernietigd, onder overweging dat de ongeschiktheid ter zake waarvan gedaagde met ingang van 14 juni 1988 aanspraak maakte op ziekengeld, werd veroorzaakt door darmklachten en dat de oorzaak van die ongeschiktheid niet bestond bij aanvang van de verzekering. Aan appellant werd tevens opgedragen ter zake van gedaagdes ziekmelding per 14 juni 1988 een nieuw besluit te nemen. Vervolgens heeft appellant bij het thans bestreden besluit met ingang van 14 juni 1988 ziekengeld geweigerd met toepassing van artikel 29 lid 2 ZW (oud). Daaraan ligt -kort samengevat- ten grondslag dat appellant wegens ongeschiktheid voor het werk als magazijnbediende 52 weken ziekengeld heeft genoten en dat het werk Weliswaar heeft de ongeschiktheid van [gedaagde] tot het verrichten van de werkzaamheden van straatveger derhalve ook na 20 juni 1988 voortgeduurd, op grond van genoemd artikel 29 lid 2 ZW kan [gedaagde] naar de mening van ondergetekende na die datum geen aanspraak op ziekengeld meer maken.". Ter zitting van de Raad heeft appellants gemachtigde nader toegelicht op grond waarvan appellant meent belang te hebben bij het hoger beroep en daarin ontvankelijk te zijn. Naar het oordeel van de Raad kan aan appellant, ook al is bij het bestreden besluit alleen met ingang van 14 juni 1988 ziekengeld geweigerd, in verband met de ruime bewoordingen waarin het oordeel van de rechtbank omtrent het niet kunnen tegenwerpen van de maximering van de uitkeringsduur is uitgedrukt, mede gezien in relatie tot de overweging dat de rechtbank het niet mogelijk acht om zelf in de zaak te voorzien, belang bij het instellen van hoger beroep niet worden ontzegd. Appellant is derhalve ontvankelijk in zijn hoger beroep. De Raad onderschrijft voorts appellants standpunt dat het bepaalde in artikel 29 lid 2 ZW (oud) niet meer aan toekenning van ziekengeld in de weg staat, indien de ongeschiktheid die het gevolg was van die andere oorzaak, niet langer aanwezig is. De Raad overweegt voorts als volgt. Naar zijn oordeel laten de voorhanden zijnde gedingstukken geen ander oordeel toe dan dat gedaagde met ingang van 14 juni 1988 ongeschikt was tot het verrichten van zijn werk als straatveger. Anders dan de rechtbank en mede lettende op het verhandelde te zijner zitting, acht de Raad termen aanwezig om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat gedaagde met ingang van die datum recht heeft op ziekengeld. Daarmee kan tevens worden beslist op het verzoek namens gedaagde om appellant te veroordelen tot vergoeding van renteschade. De Raad acht het, nu hier sprake is van een voortzetting van de tekortkoming die is voortgevloeid uit vóór 1 januari 1992 plaatsgevonden besluitvorming (te weten het eerdere onrechtmatige en vernietigde besluit d.d. 13 juni 1989), aangewezen, gelet op de Overgangswet Nieuw Burgerlijk Wetboek, aan te knopen bij hetgeen in artikel 1286 Burgerlijk Wetboek (oud) is neergelegd. Namens gedaagde is eerst ter zitting van de rechtbank d.d. 1 september 1995 wettelijke rente gevorderd. Van gehoudenheid tot vergoeding van rente kan derhalve eerst vanaf die datum gesproken worden. Toepassing van de inmiddels in de rechtspraak van de Raad ontwikkelde criteria leidt in het onderhavige geval tot het oordeel dat de vordering van gedaagde in zoverre kan worden toegewezen, dat appellant gehouden is over het verschil tussen de gedaagde ten onrechte met ingang van 14 juni 1988 onthouden bruto-uitkering ingevolge de ZW en het bedrag dat gedaagde vanaf die datum eventueel uit anderen hoofde krachtens een sociale verzekeringswet heeft ontvangen, wettelijke rente te betalen, gerekend vanaf 1 september 1995 tot aan de dag der voldoening. Verder overweegt de Raad nog als volgt. Volgens zijn vaste rechtspraak dient omtrent de vraag of artikel 29 lid 2 ZW (oud) toepassing kan vinden in de situatie dat sprake is van hervatting in ander werk dan het werk waarvoor reeds 52 weken ziekengeld is genoten, een behoorlijk feitenonderzoek naar en vergelijking van het 'oude' en het 'nieuwe' werk plaats te vinden. Indien blijkt dat het 'nieuwe' werk qua belastende factoren gelijk moet worden gesteld met het 'oude' werk, dient te worden nagegaan of er sedert het ontvangen van dat ziekengeld sprake is van onafgebroken ongeschiktheid voor het 'nieuwe' werk. Daarbij geldt dat naarmate er meer tijd is verstreken tussen het ontvangen van het ziekengeld en het weigeren van uitkering met toepassing van artikel 29 lid 2 ZW (oud), op het uitvoeringsorgaan een grotere last rust om de aan die weigeringsbeslissing ten grondslag gelegde medische en arbeidskundige feiten aannemelijk te maken. In het onderhavige geval schiet de besluitvormi