Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-01-16
ECLI:NL:CRVB:1997:ZB6605
96/3736 OSV 96/3738 OSV U I T S P R A A K in de gedingen tussen: het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, eiser, en de [stichting A.] , gevestigd te [vestigingsplaats], eiseres, en het bestuur van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, verweerder. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Bij besluit op bezwaar van 13 maart 1996 heeft verweerder ingevolge artikel 65, tweede lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen (hierna: OSV) beslist dat de [stichting A.] (hierna: [stichting A.]) per 1 januari 1996 niet langer aangesloten is bij de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer, maar aangesloten wordt bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (hierna: NAB). Eisers hebben beide tegen dit besluit beroep bij de Raad ingesteld. Namens het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer (hierna: BV Vervoer) zijn in het beroepschrift van 23 april 1996 de gronden voor het beroep aangevoerd. Namens de [stichting A.] zijn door mr R.A.A. Duk, advocaat te 's-Gravenhage, in het beroepschrift van 24 april 1996 de gronden voor het beroep aangevoerd. Bij uitspraak van 6 juni 1996 heeft de President van de Raad de verzoeken van eisers om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) afgewezen. Verweerder heeft onder dagtekening 9 juli 1996 een verweerschrift ingediend. Bij brief van 23 juli 1996 is namens het bestuur van de NAB, dat op de voet van artikel 8:26 van de Awb als partij aan de gedingen deelneemt, verklaard dat zijns inziens verweerder een juist besluit had genomen en is de Raad verzocht de beroepen van eisers ongegrond te verklaren. Bij brief van 28 oktober 1996 zijn door het bestuur van de BV Vervoer nog enkele stukken in het geding gebracht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 5 december 1996, waar voor het bestuur van de BV Vervoer is verschenen mr P.G. Koch, werkzaam voor Gak Nederland B.V., voor de [stichting A.] is verschenen mr Duk, voornoemd, voor verweerder is verschenen mr C.P. Wolthers, hoofd afdeling indelingszaken van het bureau van verweerder, en voor het bestuur van de NAB is verschenen mr M.M. de Boer-Veerman, werkzaam voor Gak Nederland B.V.. II. MOTIVERING Partijen worden verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 64, eerste lid, van de OSV is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de bedrijfsvereniging die haar taak uitoefent voor één of meer onderdelen van het bedrijfs- en beroepsleven waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de OSV deelt de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het bedrijfs- en beroepsleven in, elk onderdeel omvattende één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan. Ingevolge artikel XLVI, tweede lid, van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen, Stb. 1994, 916 (hierna: Invoeringswet), gelden de regels van het Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken van 8 december 1952, nr. 6888 SV, Stcrt. 1952, 242, zoals nadien gewijzigd (hierna: Indelingsbesluit), als de regels die door voornoemde Staatssecretaris zijn gesteld ingevolge artikel 39, eerste lid, van de OSV. Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de OSV kan verweerder met betrekking tot de aansluiting van één of meer categorieën van werkgevers bij een bedrijfsvereniging regels stellen die afwijken van artikel 64, eerste en tweede lid, van de OSV. Ingevolge artikel XLVII, aanhef en onder a, van de Invoeringswet gelden onder andere de regels van de (voormalige) Sociale Verzekeringsraad (hierna: SVr), vastgesteld ingevolge artikel 7, derde lid, (oud) van de OSV, als regels die door verweerder zijn gesteld ingevolge artikel 65, eerste lid, van de OSV. Bij besluit van 30 mei 1958, Strct. 1958, 119, zoals nadien gewijzigd, heeft de SVr op grond van voormeld artikel 7 (oud) van de OSV regels gesteld inzake de aansluiting bij een bedrijfsvereniging In het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder ter motivering het volgende aangevoerd: "Het bestuur stelt vast dat over de feitelijke werkzaamheden van [stichting A.], zoals beschreven in het bestreden besluit, geen verschil van mening bestaat. [stichting A.] houdt zich bezig met het poolen van werknemers en het uitlenen van arbeidskrachten. De SVr heeft bij besluit van 30 mei 1958 regels gesteld inzake de indeling van uitleenbedrijven. Deze regels gelden thans als regels gesteld door het Tica krachtens artikel 65, eerste lid, OSV, op grond van artikel XLVII, onder a, Invoeringswet OSV. De SVr heeft op 20 december 1990 een circulaire vastgesteld inzake uitleenbedrijven. Het bestuur van het Tica heeft besloten om deze circulaire als circulaire van het Tica te handhaven. De circulaire hanteert als uitgangspunt dat de activiteit uitlenen wordt ingedeeld bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Door een categorische aansluiting van uitleenbedrijven bij één bedrijfsvereniging is het eenvoudiger om te komen tot een goede uitvoering van de sociale verzekeringen, met name op het gebied van handhaving en premie-inning. Deze circulaire houdt voorts in, voor zover in casu van belang, dat indien een onderneming zich uitsluitend met het poolen van losse arbeidskrachten bezighoudt, dispensatie mogelijk is. [stichting A.] houdt zich echter qua loonsom voor meer dan 50% met het uitlenen van chauffeurs bezig, dus niet uitsluitend met een arbeidspool. Dispensatie aan bedrijven die zich gedeeltelijk met uitlenen bezighouden is alleen mogelijk indien het uitlenen minder dan 50% van de loonsom betreft. Dit is in casu niet het geval. Toepassing van genoemd besluit en circulaire leiden derhalve tot indeling bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. Het bestuur ziet in casu geen redenen om af te wijken van het uitgangspunt van de circulaire dat een onderneming die zich voor meer dan 50% bezighoudt met het uitlenen van werknemers, onder de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging valt, ook als de onderneming zich op één bedrijfstak richt.". De Raad is van oordeel dat deze motivering niet voldoet aan de daaraan ingevolge artikel 7:12, eerste lid, van de Awb te stellen eisen. Er wordt onvoldoende specifiek ingegaan op de in de bezwaarschriftprocedure aangevoerde argumenten, ook die inzake het verzoek om (zonodig) een bijzonder geval aan te nemen. Verder wordt in de motivering onvoldoende precies en systematisch uiteengezet welke van de hiervoor weergegeven beleidscriteria worden gehanteerd en waarom deze criteria deels anders worden toegepast dan zij bij eerste lezing bedoeld lijken te zijn. Eerst uit het verweerschrift en uit het verhandelde ter zitting is het de Raad - en eisers - duidelijk geworden welke motivering precies aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegen. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit derhalve in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De Raad zal echter tevens toepassing geven aan artikel 8:72, derde lid, van de Awb en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand laten. De Raad is namelijk van oordeel dat het bestreden besluit overigens niet onrechtmatig is, en dat nadere besluitvorming door verweerder niet nodig is. De Raad overweegt daartoe als volgt. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geeft verweerder - mede onder instigatie van kritiek van het bestuur van de NAB - zó uitleg en - in een reeks van besluiten - toepassing aan beleidscriterium a. dat een werkgever alleen op grond van dat criterium dispensatie krijgt als hij zich voor 100% bezig houdt met het 'poolen' van losse arbeidskrachten voor één bepaalde bedrijfstak. Beleidscriterium b. wordt aldus uitgelegd dat een werkgever alleen op grond van dat criterium dispensatie krijgt als hij zich voor minder dan 50% bezig houdt met het uitlenen aan één bepaalde bedrijfstak, waarbij het criterium "in het algemeen" in feite geen betekenis toekom