Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-07-15
ECLI:NL:CRVB:1997:AL0775
96/98 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk Instituut Sociale Verzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreen van de bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam onder dagtekening 31 juli 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde heeft mr B.W.M. Zegers, advocaat te Volendam, een verweerschrift ingediend. Appellant heeft bij brief van 16 mei 1997 zijn standpunt nader toegelicht. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 juni 1997, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr M.A.B. Vogt, werkzaam bij SFB Uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekering N.V., terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr Zegers, voornoemd. II. MOTIVERING Onder verwijzing naar rubriek 3 van de aangevallen uitspraak voor een uitvoeriger weergave van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad hier met het volgende. Bij het, ter uitvoering van 's Raads uitspraak van 24 augustus 1993 (RSV 1994/4) genomen, bestreden besluit van 25 november 1993 heeft appellant vastgesteld dat gedaagde in beginsel over de periode van 8 mei 1989 tot en met 8 november 1989 (met uitzondering van 15 mei 1989, zijnde tweede pinksterdag) recht heeft op een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW). Voorts is met toepassing van artikel 23 van de WW over het tijdvak van 8 mei 1989 tot en met 21 september 1989 WW-uitkering geweigerd, waarbij is bepaald dat zulks geen verandering brengt in de uitkeringsduur. Verder is over het tijdvak van 22 september 1989 tot en met 8 november 1989, zijnde de resterende uitkeringstermijn, op de uitkering een korting van 30% toegepast omdat gedaagde -zoals ook was vastgesteld in voormelde uitspraak van 24 augustus 1993- een ingevolge artikel 26 van de WW op hem rustende verplichting niet was nagekomen, door eerst op 23 maart 1990 bij de toenmalige bedrijfsvereniging aangifte te doen van zijn op 8 mei 1989 ontstane werkloosheid. De rechtbank heeft geconstateerd dat het beroep van gedaagde zich uiteindelijk alleen richtte tegen de opgelegde sanctie. De rechtbank heeft dat beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, voor zover daarin aan gedaagde over het tijdvak van 22 september 1989 tot en met 8 november 1989 de werkloosheidsuitkering gedeeltelijk is geweigerd, met toewijzing van griffierecht en proceskosten. De rechtbank heeft daartoe, kort gezegd, overwogen dat gedaagde door de werking van artikel 23 van de WW reeds gedurende 136 dagen van zijn totale WW-aanspraak van 183 dagen het recht op uitkering heeft verloren en dat het vervolgens over de resterende uitkeringsduur van 47 dagen nog eens opleggen van een sanctie ertoe leidt dat aan gedaagde meer dan 80% van zijn uitkeringsaanspraak niet is betaald, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank betekent dat de opgelegde sanctie geen adequaat antwoord is op de gepleegde overtreding. Alleen appellant heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld. Appellant is van mening dat, ook rekening houdend met de omstandigheid dat de uitkering op grond van artikel 23 van de WW gedurende de periode van 8 mei 1989 tot en met 21 september 1989 niet tot uitbetaling kwam, de getroffen sanctie adequaat is te achten. Appellant heeft daartoe in het bijzonder gewezen op de navolgende omstandigheden: - gedaagde heeft zeer laat aangifte gedaan van zijn werklo