Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-04-04
ECLI:NL:CRVB:1997:AL0760
95/4314 AAW, 95/4320 AAW 95/4323 AAW U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 31 januari 1994 heeft gedaagde met toepassing van artikel 48 (oud) van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) van appellant teruggevorderd een bedrag van f 9.928,08 ter zake van hetgeen op grond van die wet over de periode van 3 oktober 1989 tot 1 juli 1990 onverschuldigd aan appellant was betaald (hierna: besluit I). Bij besluit van 24 mei 1993 heeft gedaagde het bedrag van f 1.240,59 aan AAW-uitkering, dat aan appellant nabetaald diende te worden over de periode van 1 februari 1992 tot en met 19 juli 1992, in zijn geheel verrekend met de aan appellant onverschuldigd uitbetaalde uitkering krachtens de AAW (hierna: besluit II). Bij besluit van 10 augustus 1993 heeft gedaagde zijn eerdergenomen besluit tot verrekening van de aan appellant ten onrechte uitbetaalde uitkering krachtens de AAW door middel van het maandelijks op appellants AAW-uitkering inhouden van een bedrag van f 100,--, gehandhaafd (hierna: besluit III). De Arrondissementsrechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 5 april 1995 de tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Appellant heeft bij gemachtigde mr J.A.B.H.M. Willemse, advocaat te Ulft, op bij aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden, tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Vanwege gedaagde is een verweerschrift ingediend. De Raad heeft de gedingstukken, behorende bij een eerdere tussen partijen gevoerde procedure voor de Arrondissementsrechtbank te Zutphen, registratienummer 91/2110 AAW, aan het dossier toegevoegd. De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 21 februari 1997, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr L.B.F.M. Hellwig, werkzaam bij Gak Nederland B.V., als zijn gemachtigde. II. MOTIVERING Bij besluit van 2 juli 1985 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 5 mei 1984 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Met ingang van 3 oktober 1989 is appellant inkomsten uit arbeid gaan genieten als vuilnisbelader in loondienst. Bij besluiten van 20 en 21 augustus 1991 zijn appellants inkomsten onder toepassing van het bepaalde in artikel 34 (oud) van de AAW op zijn uitkering in mindering gebracht, in dier voege dat appellants uitkering met ingang van 3 oktober 1989 slechts gedeeltelijk en met ingang van 1 november 1989 in het geheel niet meer tot uitbetaling kwam. Deze besluiten zijn rechtens onaantastbaar geworden. Bij besluit van 17 april 1991 heeft gedaagde met toepassing van artikel 48 (oud) van de AAW van appellant teruggevorderd een bedrag van f 13.367,17 ter zake van hetgeen op grond van die wet over de periode van 3 oktober 1989 tot 1 juli 1990 onverschuldigd aan appellant was betaald. De rechtbank te Zutphen heeft bij uitspraak van 17 augustus 1993, registratienummer 91/2110 AAW 06, het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, onder meer overwegende (waarbij voor verweerder dient te worden gelezen gedaagde en voor klager dient te worden gelezen appellant): "De rechtbank constateert vervolgens dat verweerder klagers geestelijke gezondheidstoestand in het geheel niet in zijn besluitvorming heeft betrokken. Ook bij de advisering zijdens de GMD voorafgaande aan de beslis Derhalve is aan de kant van eiser inzake van "toedoen" in de zin van artikel 48, eerste lid sub a van de AAW sprake. Met de door de verzekeringsgeneeskundige gesignaleerde sterk verminderde toerekenbaarheid heeft ondergetekende vervolgens wel rekening gehouden door het oorspronkelijke bruto terugvor-deringsbedrag te matigen tot de netto-som." De Raad oordeelt als volgt. Ter zake van besluit I In geding is de vraag of het besluit van gedaagde om tot terugvordering over te gaan van een bedrag van f 9.928,08 aan onverschuldigd betaalde AAW-uitkering, primair op de grond dat door toedoen van appellant onverschuldigd is betaald en subsidiair op de grond dat het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat aan hem onverschuldigd is betaald, in rechte stand kan houden. Gelet op de in rechte onaantastbaar geworden besluiten van 20 en 21 november 1990 is de Raad, met de rechtbank, van oordeel dat aan appellant onverschuldigd een AAW-uitkering is uitbetaald en dat gedaagde aldus in beginsel bevoegd moet worden geacht hetgeen onverschuldigd aan hem is betaald van appellant terug te vorderen. Hetgeen primair aan het besluit ten grondslag is gelegd (de zogeheten a-grond van artikel 48 (oud) AAW), kan evenwel dat besluit niet dragen. Gelet op de rapportage van de verzekeringsgeneeskundige Apperloo, voornoemd, moet worden geoordeeld dat van de zijde van appellant in onvoldoende mate sprake is van toerekenbaarheid ter zake van het in gebreke blijven ten aanzien van het nakomen van de ingevolge artikel 78 van de AAW op hem rustende mededelingsverplichting, zodat niet kan worden gesteld dat door appellants toedoen aan hem onverschuldigd is betaald. In de omstandigheden van het voorliggende geval, waar weliswaar de vriendin van appellant was gemachtigd tot het gebruik van diens bankrekening en zij de geldzaken van appellant voor hem regelde, ziet de Raad, nu niet gebleken is dat deze taakverdeling tussen appellant en zijn vriendin was overeengekomen op grond van de omstandigheid dat appellant, gelet op zijn geestelijke vermogens, in het geheel niet in staat zou zijn zelf zijn geldzaken te regelen, onvoldoende aanknopingspunten om ervan uit te gaan dat de mededelingsverplichting ingevolge artikel 78 van de AAW tevens op appellants vriendin rust. Uit het hiervoor overwogene volgt dat gedaagde niet bevoegd was de terugvordering te baseren op de daartoe in het bestreden besluit neergelegde primaire grond. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het besluit wel kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde subsidiaire grond (de zogeheten b-grond van artikel 48 (oud) AAW). De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het appellant niet redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat aan hem onverschuldigd een AAW-uitkering is uitbetaald. Appellant genoot immers een AAW-uitkering, hetgeen hem bekend was, en hij is door zijn moeder en zijn vriendin expliciet gewezen op de op hem rustende verplichting om aan gedaagde mededeling te doen van de omstandigheid dat hij met ingang van 3 oktober 1989 inkomsten uit arbeid is gaan genieten. Gelet hierop is het voor de Raad niet aannemelijk dat appellant niet zou hebben begrepen, dan wel niet zou hebben kunnen begrijpen, dat hij van laatstbedoelde inkomsten mededeling moest doen aan gedaagde. Voor dit oordeel verwijst de Raad naar het in het kader van de procedure voor de rechtbank te Zutphen, registratienummer 91/2110 AAW, uitgebrachte rapport van 15 september 1992 van mr E.M. Vernes-Oosterhuis, plaatsvervangend griffier bij die rechtbank. Ook overigens ziet de Raad geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit I, gebaseerd op de daaraan subsidiair ten grondslag gelegde grond, niet in rechte stand kan houden, zodat het hoger beroep, voor zover het op dit besluit betrekking heeft, niet kan slagen. Ter zake van de besluiten II en III In hoger beroep zijn van de zijde van appellant geen afzonderlijke grieven aangevoerd tegen het in de