Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-09-24
ECLI:NL:CRVB:1997:AA8735
96/5482 AAW/WAO U I T S P R A A K in het geding tussen: het Landelijk instituut sociale verzekeringen, appellant, en A, wonende te B, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor het Vervoer. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Bij besluit van 7 juni 1995 heeft appellant gedaagdes uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werden berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 3 juli 1995 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. De arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 10 mei 1996 het namens gedaagde tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Op de gronden, uiteengezet in een aanvullend beroepschrift d.d. 1 juli 1996, is de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en het inleidend beroep alsnog ongegrond te verklaren. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend, gedateerd 2 augustus 1996. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 13 augustus 1997, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr G.E.C. Boere en waar namens gedaagde is verschenen mr M.A.H.H. Ceelen, advocaat te Rotterdam. II. MOTIVERING Gedaagde heeft op 15 januari 1990 zijn werkzaamheden als chauffeur, welke hij gedurende gemiddeld 55 uur per week verrichtte, gestaakt wegens rugklachten. Nadat hij gedurende de maximale termijn een uitkering ingevolge de Ziektewet had genoten zijn aan hem aansluitend uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO verstrekt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. In verband met een polsblessure zijn deze uitkeringen met ingang van 20 augustus 1994 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit, waarbij die uitkeringen met ingang van 3 juli 1995 zijn herzien en nader zijn vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, in rechte stand kan houden. De rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, waar-bij kort samengevat is overwogen dat de medisch grondslag van het bestreden besluit juist is, dat gedaagde ten tijde in geding met zijn beperkingen in staat moest worden geacht passende arbeid te verrichten, maar dat de wijze waarop in casu de resterende verdiencapaciteit van gedaagde is vastgesteld niet zonder meer reëel is te achten. Hierbij heeft de rechtbank gedoeld op de combinatie van aan gedaagde voorgehouden voltijd-functies (voor 38 uur per week) en deeltijd-functies (voor 17 uur per week), zonder dat is onderzocht of deze voltijd-functies kunnen worden verricht in combinatie met (een van) de geduide deeltijd-functies, hetgeen in strijd is geacht met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank heeft appellant hierbij niet gevolgd in de stellingname dat de geschetste problematiek is toe te schrijven aan arbeidsmarktfactoren waarvoor werkgever en werknemer zelf een oplossing dienen te vinden, daar daarmee naar het oordeel van de rechtbank aan theoretische schattingen iedere realiteitswaarde komt te ontvallen. Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat ten onrechte de functies van bewerker/verpakker dagversvlees en inpakster bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde zijn betrokken, nu deze blijkens een verzekeringsgeneeskundig rapport de belastbaarheid van gedaagde te boven gaan. Van de zijde van ap