Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1997-12-12
ECLI:NL:CRVB:1997:AA8613
97/9950 ALGEM-VV 97/9529 + 97/9530 ALGEM U I T S P R A A K van DE PRESIDENT VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet in het geding tussen: X B.V., gevestigd te Y, verzoekster, en het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gedaagde. I. INLEIDING Met ingang van 1 maart 1997 is de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 treedt het Landelijk instituut sociale verzekeringen (hierna: Lisv) in de plaats van de betrokken bedrijfsvereniging. In het onderhavige geval is het Lisv in de plaats getreden van de Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het bestuur van deze bedrijfsvereniging. Onder dagtekening 25 september 1996 heeft gedaagde aan verzoekster kennis gegeven van zijn -op een bezwaarschrift van verzoekster genomen- besluit dat A werkzaam is in een met verzoekster bestaande arbeidsverhouding die verplichte verzekering ingevolge de Werkloosheidswet (hierna: WW), de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: WAO), de Ziektewet (hierna: ZW) en de Ziekenfondswet (hierna: Zfw) met zich meebrengt. De president van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam heeft bij uitspraak van 13 augustus 1997 een verzoek van verzoekster tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen, het beroep van verzoekster gegrond verklaard en het bestreden besluit en het primaire besluit d.d. 5 augustus 1996 vernietigd. Gedaagde heeft bij schrijven van 16 september 1997 tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad. Namens verzoekster heeft mr H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, bij schrijven van 23 september 1997 eveneens hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Bij schrijven van 10 oktober 1997 heeft mr H.J. Breeman, voornoemd, namens verzoekster 's-Raads president verzocht om met toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de schorsende werking van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank op te heffen. Gedaagde heeft bij schrijven van 6 november 1997 de gronden van zijn hoger beroep aan de Raad kenbaar gemaakt. Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 november 1997, waar voor verzoekster zijn verschenen mr E.M. Hovenier, kantoorgenote van mr H.J. Breeman voornoemd, W. Pons, directeur van verzoekster en F. Coenradi, administrateur van verzoekster. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door mr A.E.J.M. Gielen, werkzaam bij het Gak Nederland B.V. Op verzoek van de president heeft gedaagde zich bereid verklaard nadere inlichtingen in te winnen en is de behandeling ter zitting met instemming van partijen geschorst. Bij faxbericht van 4 december 1997 heeft gedaagde nadere onderzoeksgegevens aan de Raad doen toekomen. De behandeling ter zitting is voortgezet op 8 december 1997, waar, naast voormelde personen, tevens aanwezig was A, voornoemd. II. MOTIVERING Ingevolge het bepaalde in de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet kan, indien tegen de uitspraak van de rechtbank of van de president van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de president van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de president van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting waarin het verzoek is behandeld, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak. Gelet op de inhoud van de gedingstukken en gezien het verhandelde ter zitting is de president van oordeel dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zod In deze situaties ontstaat natuurlijk geen arbeidsovereenkomst tussen de ondernemer en de financierder of afnemer. Een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting is in die gevallen wel aanwezig doch de vereiste gezagsverhouding ontbreekt. Opmerkelijk in de relatie tussen de heer A en X is het gegeven dat de heer A gemiddeld eenmaal per week voor X werkzaam is in wasstraten die X in eigen beheer heeft bij gebreke van een zelfstandig beheerder. De heer A heeft zulks telefonisch tegenover ondergetekende verklaard. Hieruit volgt naar de mening van ondergetekende de heer A te beschouwen is als iemand die zijn arbeidskracht ten dienste van X stelt. De relatie tussen de heer A en X wordt niet uitsluitend geredigeerd door de tussen partijen gesloten franchise-overeenkomst (instrikte zin), doch door een verhouding die naar de mening van ondergetekende niet anders dan als arbeidsovereenkomst kan worden betiteld.". Artikel 2a van de franchise-overeenkomst, waarvan de derde tot en met de vijfde alinea de door gedaagde aangehaalde alinea's betreffen, luidt als volgt: "Franchisenemer exploiteert De franchisegever en de franchisenemer komen overeen dat de franchisenemer de algehele exploitatie van de wasstraat op zich neemt. Dit houdt in, dat de franchisenemer met inachtneming van de bepalingen en voorwaarden van deze overeenkomst en van het tussen partijen van toepassing zijnde franchise-reglement, de exploitatie van de wasstraat voor eigen rekening en risico zal uitoefenen als zijnde zijn eigen onderneming. Voornoemd franchise-reglement, hierna aan te duiden met "het reglement", maakt onderdeel uit van en behoort bij deze overeenkomst. De franchisenemer verklaart hierbij uitdrukkelijk een exemplaar van dit reglement te hebben ontvangen, kennis te hebben genomen van de inhoud van het reglement en met de toepassing daarvan in te stemmen. Door de franchisenemer gesloten overeenkomsten met derde(n) verbinden nimmer de franchisegever, doch doen slechts verbintenissen ontstaan tussen de desbetreffende derde(n) en de franchisenemer. De franchisenemer is niet bevoegd op naam en/of voor rekening van de franchisegever te handelen. De franchisenemer zal de wasstraat beheren conform de bepalingen van deze overeenkomst, van het reglement en de op basis van tijd tot tijd door de franchisegever te verstrekken (schriftelijke) aanbevelingen. De franchisenemer zal belast zijn met de leiding van de exploitatie van de wasstraat, waarbij de franchisenemer niet verplicht is zelf de voorkomende werkzaamheden in de wasstraat uit te voeren maar deze werkzaamheden, onder zijn leiding, door zijn personeel kan laten verrichten. Het is de franchisenemer uitdrukkelijk verboden de wasstraat geheel of gedeeltelijk te verhuren of onder welke titel dan ook in gebruik te geven en/of de exploitatie resp. het beheer van de wasstraat geheel of gedeeltelijk aan derden, rechtspersonen daaronder begrepen, op of over te dragen dan wel af te staan dan wel te bezwaren, tenzij de franchisenemer daartoe de uitdrukkelijke, schriftelijke goedkeuring van de franchisegever voor heeft gekregen. Onder derden worden hier ook verstaan rechtspersonen waarin de franchisenemer direct of indirect de zeggenschap, in welke vorm ook, kan uitoefenen, De franchisenemer wordt door deze overeenkomst geen agent of vertegenwoordiger van de franchisegever. De franchisenemer erkent het uitsluitend recht van de franchisegever op de franchiseformule en daaronder begrepen het recht om, met inachtneming van deze overeenkomst, franchiserechten te verlenen. De franchisenemer zal, behoudens uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de franchisegever, tijdens de duur van deze overeenkomst generlei zakelijke relatie mogen onderhouden met een keten of een rechtspersoon, die in dezelfde bedrijfstak een soortgelijke franchiseformule toegepast. Bij overtreding van het in de vorige alinea van dit artikel vermelde is de franchisenemer aan de franchisegever een direct opeisbare boete verschuldigd van duizend gulden