Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1996-12-12
ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6564
95/1261 AW, 95/5214 AW, 95/1264 AW, 95/5217 AW, 95/1282 AW, 95/5220 AW, 95/3150 AW, 95/5221 AW, 95/3158 AW, 95/5222 AW, 95/3163 AW, 95/5223 AW, 95/3166 AW en 95/5225 AW U I T S P R A A K O in de gedingen tussen: het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam, appellant tevens gedaagde (hierna: appellant), en A., wonende te B., C., wonende te D., E., wonende te F., G., wonende te H., I., wonende te J., K., wonende te L., M., wonende te N., gedaagden tevens appellanten (hierna: gedaagden). I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Namens appellant is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 18 april 1995, nrs. AWB 95/2873 AW en AWB 93/3535 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen. A. heeft namens gedaagden een verweerschrift ingediend en nadien nog enige stukken aan de Raad doen toekomen. De griffier van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam heeft bij schrijven van 1 augustus 1995 aan de Raad de beroepen doorgezonden die door gedaagden zijn ingesteld tegen besluiten van appellant van 6 juli 1995. A. heeft deze beroepen namens gedaagden nog nader toegelicht. De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 7 november 1996, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr P.R.W. Schaink, advocaat te Amsterdam. Gedaagden A. en G. zijn ter zitting in persoon verschenen. De overige gedaagden zijn niet verschenen en hebben zich niet doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Op 1 november 1994 heeft appellant, in samenhang met besluiten ter zake van de Premiespaarregeling UvA, besloten om met ingang van 1 februari 1995 de Regeling reiskosten woon-werk-verkeer UvA in te trekken, met dien verstande dat de mogelijkheid voor het personeelslid om via de universiteit een vervoersbewijs aan te schaffen blijft gehandhaafd. Bij schrijven van gelijke datum, gericht aan alle medewerkers van de Universiteit van Amsterdam heeft appellant dit besluit bekendgemaakt en toegelicht. Gedaagden hebben bij gezamenlijke brief van 18 november 1994 tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend bij appellant. Gedaagden hebben bij schrijven van 28 februari 1995 de president van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam gevraagd een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Voorts hebben zij op 17 maart 1995 bij de rechtbank beroep ingesteld als bedoeld onder artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Appellant heeft op 22 maart 1995 alsnog op het bij hem ingediende bezwaar beslist en gedaagden niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaren. Hij heeft hen daarbij overigens tevens in kennis gesteld van inmiddels met het georganiseerd overleg gemaakte afspraken omtrent wijziging van de overgangsvoorzieningen voor (onder meer) assistenten in opleiding. De rechtbank heeft het door gedaagden op 17 maart 1995 ingestelde beroep opgevat als mede gericht tegen dit besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van gedaagden met inachtneming van hetgeen in die uitspraak is overwogen. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Raad, doch tevens bij besluit van 6 juli 1995 uitvoering gegeven aan de uitspraak van de rechtbank. Appellant heeft bij dit laatste tevens aandacht geschonken aan zijn besluit van 11 april 1995 waarin een nadere afbouwregeling reiskosten woon-werkverkeer UvA is vastgesteld voor assistenten in opleiding en personeelsleden die gesalarieerd worden naar één der salarisschalen 2 t/m 7. Een en ander heeft ertoe geleid dat het bezwaar van gedaagde A. gegrond is verklaard in die zin dat hij alsnog per 1 maart 1995 in aanmerking komt voor de regeling van 11 april 1995 en voor het overige ongegrond is verklaard. Het bezwaar van de overige gedaagden is in zijn geheel ongegrond verklaard. In de gedingen in hoger beroep