Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1996-12-05
ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6510
95/987 AW O U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Minister van Buitenlands Zaken, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellant is op daartoe bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 5 april 1995, onder nr. AWB 94/4416 AW, gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 11 april 1996, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr T.A.M. Visser, advocaat te 's-Gravenhage, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr G.D. Aiken, werkzaam bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Na behandeling van het geding ter zitting van 11 april 1996 heeft de Raad het onderzoek heropend en gedaagde verzocht nadere inlichtingen te verschaffen en nadere stukken in te zenden. Gedaagde heeft hierop gereageerd bij brief van 5 september 1996 (met bijlagen). Het geding is vervolgens behandeld ter zitting van 31 oktober 1996, waar appellant is verschenen bij mr Visser voornoemd en gedaagde bij mr Aiken voornoemd. II. MOTIVERING Appellant is sinds 1 januari 1988 op grond van tijdelijke aanstellingen bij gedaagdes ministerie werkzaam geweest als medewerker [naam afdeling] ten behoeve van de Stichting Nederlandse Vrijwilligers (SNV). Na diverse verlengingen van zijn tijdelijke aanstellingen is hem bij brief van 15 januari 1990 meegedeeld dat zijn aanstelling na 31 januari 1990 niet meer zou worden verlengd en dat derhalve het dienstverband per 1 februari 1990 zou zijn beëindigd. Appellant heeft zijn werkzaamheden bij SNV met ingang van 1 februari 1990 voortgezet via uitzendbureau Content. Naar aanleiding van appellants bezwaar tegen de beëindiging van het dienstverband heeft de Commissie van Beroep van het ministerie van Buitenlandse Zaken geadviseerd het besluit van 15 januari 1990 nietig te verklaren wegens strijd met artikel 6, vierde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, voor zover dat besluit inhoudt een weigering om appellant in vaste dienst te benoemen. Gedaagde heeft conform dit advies appellant alsnog bij besluit van 21 november 1991 met ingang van 1 februari 1990 aangesteld in vaste dienst, onder handhaving van zijn plaatsing bij SNV. Bij memorandum van 26 november 1991 is door de Hoofddirecteur Dienst Buitenlandse Zaken/bureau Arbeidsverhoudingen en Beleidsprojecten (HDBZ/AB) aan het bureau Personeels- en Salarisadministratie (HDBZ/PI) verzocht zorg te dragen voor de uitvoering van dit aanstellingsbesluit. In het kader van die uitvoering heeft het hoofd van de sectie bestandsbeheer van het bureau HDBZ/PI, F. Eckhardt, opdracht gegeven tot nabetaling van appellants salaris over de periode 1 februari 1990 tot 1 december 1991; in december 1991 is aan appellant een bedrag van f. 54.888,37 overgemaakt. Bij besluit van 16 maart 1993 heeft gedaagde appellant meegedeeld dat was nagelaten op die nabetaling de in de periode 1 februari 1990 tot 1 december 1991 via het uitzendbureau genoten inkomsten in mindering te brengen. Omdat appellant naar gedaagdes mening wist dan wel had kunnen weten dat hij teveel aan nabetaald salaris had ontvangen, heeft gedaagde besloten het teveel betaalde alsnog terug te vorderen, waarbij eventuele voor appellant negatieve fiscale aspecten voor rekening van gedaagde zouden komen. Aan appellant is verzocht een opgave te verstrekken van het door het uitzendbureau in bedoelde periode uitbetaalde loon. Appellants tegen dit besluit ingediende bezwaarschrift is, conform het advies van de Commissie van Bezwaar Dienst Buitenlandse Zaken (de Commissie DBZ), bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Bij zijn uitspraak van 5 april 1995 heeft de rechtbank het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Raad staat thans voor de beantwoording van de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld