Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1996-07-22
ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6248
95/1321 CSV U I T S P R A A K O. in het geding tussen: het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Haven- en aanverwante bedrijven, Binnenscheepvaart en Visserij, appellant, en B.V. X., gevestigd te Y., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 17 augustus 1992 heeft appellant aan gedaagde kennis gegeven van zijn beslissing dat gedaagde op grond van artikel 16b van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (hierna: CwSV) tot een bedrag van f 36.905,56 hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de premies ingevolge de Werkloosheidswet, de Ziektewet, de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de Ziekenfondswet die b.v. Q. te P. (hierna: Q.) verschuldigd is in verband met door haar werknemers in 1985 voor gedaagde in onderaanneming uitgevoerde werkzaamheden. De Arrondissementsrechtbank te Dordrecht heeft bij uitspraak van 17 maart 1995 het door gedaagde tegen voormelde beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard en de bestreden beslissing vernietigd. Appellant is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift van 19 juli 1995 (met bijlage) zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet. Bij schrijven van 6 oktober 1995 is namens gedaagde door mr G.A.M. Lieshout, belastingadviseur te Amstelveen, een verweerschrift ingediend. Bij schrijven van 22 december 1995 heeft appellant desgevraagd nadere stukken ingezonden en daarnaast gereageerd op het verweerschrift. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 25 maart 1996. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr A.C.J.M. Schröder, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr Lieshout, voornoemd. Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen. Bij brief van 24 april 1996 heeft de Raad aan appellant nadere vragen gesteld. Bij brief van 30 mei 1996 zijn deze door appellant beantwoord. Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 10 juni 1996. Appellant heeft zich daar doen vertegenwoordigen door mr B. de Pijper, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door mr Lieshout, voornoemd. II. MOTIVERING Bij de in geding zijnde beslissing heeft appellant op grond van artikel van de 16b CwSV gedaagde tot een bedrag van f 36.905,56 hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies die haar onderaannemer Q. verschuldigd was ter zake van in 1985 voor gedaagde in onderaanneming uitgevoerde werkzaamheden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de bestreden beslissing vernietigd. Allereerst heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd op welke grond hij de door gedaagde aangeleverde stukken niet betrouwbaar of volledig acht. Daarnaast acht de rechtbank de gehanteerde methode van procentuele toerekening van de op de G-rekening van Q. gestorte gelden in het onderhavige geval een te grove methode. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat de looncorrectie ten onrechte (indirect) is gebruteerd. In dit geding worden partijen verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. De Raad overweegt het volgende. Bij de berekening van de premie die door Q. is verschuldigd ter zake van de voor gedaagde verrichte werkzaamheden, is in de bestreden beslissing als premieloon 60% genomen van de gefactureerde omzet, zoals die blijkt uit de aan gedaagde gerichte facturen. Appellant heeft gekozen voor het werken met een procentuele schatting, omdat naar zijn oordeel de administratie van Q. verworpen diende te worden. Door gedaagde is daarentegen een berekeningswijze bepleit, waarbij wordt uitgegaan van een schatting van het premieloon op basis van de door gedaagde bijgehouden urenadministratie. Naar het oordeel van de Raad is er onvoldoende aanleiding om aan deze door gedaagde - jaren late In de praktijk hanteert appellant ter zake wetsinterpreterende regels. Deze zijn niet bekend gemaakt, maar in de loop van de onderhavige procedure aan de Raad medegedeeld. Deze wetsinterpreterende regels houden uiteindelijk een gelijke toerekening van de ontvangen G-gelden aan aannemers én inleners die op de G-rekening hebben gestort, in. Ter verdediging van deze wetsinterpreterende regels heeft appellant allereerst aangevoerd dat het in de praktijk niet te voorkomen valt dat naast aannemers ook inleners bedragen storten op een G-rekening. Daarbij wordt het saldo van de G-rekening als het ware vermengd, dat wil zeggen dat het bestaat uit gelden van aannemers én inleners. Op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en op grond van de redelijkheid behandelt appellant aannemers en inleners die op de G-rekening hebben gestort, gelijk, door bij beide categorieën rekening te houden met een zelfde kortingspercentage, zij het bij de aannemers al bij de vaststelling van de hoogte van de hoofdelijke aansprakelijkstelling, en bij de inleners eerst bij de invordering. Daarnaast is volgens appellant een belangrijk argument voor de gekozen benadering dat het onderscheid tussen inlener en aannemer in de praktijk vaak moeilijk te maken valt, waarbij een groot risico van het maken van fouten bestaat, en dat er bij een andere benadering uitvoeringstechnische problemen ontstaan. Onder deze omstandigheden kan volgens appellant het door een aannemer én een onderaannemer nauwkeurig opvolgen van het tot 1 oktober 1991 geldende Besluit van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 26 mei 1982, Stcrt. 1982, 109 (hierna: G-rekeningenbesluit), respectievelijk van de vanaf 1 oktober 1991 geldende Regeling van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 mei 1991, Stcrt. 1991, 105 (hierna: G-rekeningenbesluit 1991) niet leiden tot een andere benadering. Het geschil spitst zich derhalve toe op de vraag of de weergegeven wetsinterpreterende regels rechtens aanvaardbaar zijn. De Raad stelt voorop dat artikel 16a, tweede lid, van de CwSV aan een inlener een volledige vrijwaring toekent indien voldaan is aan de daarin opgenomen voorwaarden. Indien daaraan niet is voldaan, zoals bij de beide inleners van Q. in het onderhavige geval, heeft de inlener geen wettelijke bescherming tegen hoofdelijke aansprakelijkstelling. Artikel 16b, vijfde lid, van de CwSV kent daarentegen ten gunste van de aannemer die op een G-rekening heeft gestort, een - sterk geclausuleerd - wettelijk vermoeden dat elke betaling door de onderaannemer van premie ten laste van die G-rekening, die betrekking heeft op het tijdvak waarin een werk is uitgevoerd, ook inderdaad op dat werk betrekking heeft. Naar het oordeel van de Raad kan het feit dat de mogelijkheid van - onder omstandigheden vrijwarende - stortingen op een G-rekening door de wetgever wél is geopend voor een aannemer, maar niet voor een inlener, niet geheel zonder betekenis zijn voor de inhoud van hun respectievelijke rechten en plichten. De door appellant ontwikkelde wetsinterpreterende regels waarin aan dit door de wetgever gemaakte onderscheid in het geheel geen betekenis toekomt, zijn dan ook naar het oordeel van de Raad in zoverre onjuist. De andere door appellant aangevoerde argumenten om geen verschil te maken tussen inleners en aannemers kunnen de Raad niet overtuigen. Dat het onderscheid tussen inleners en aannemers in de praktijk vaak moeilijk te maken valt, kan appellant niet ontslaan van de hem door de wetgever opgelegde plicht tot het wél maken van dit onderscheid, terwijl de gevolgen van een verkeerde wetsinterpretatie en wetstoepassing in beginsel voor risico van appellant behoren te komen. Verder is het voor appellant toch al noodzakelijk om de opdrachtgevers in te delen in inleners en aannemers omdat het van het resultaat van die indeling afhangt in welke fase de procentuele korting wordt verrekend. Voorts is het in het onderhavige geval ook mogelijk gebleken om