Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1996-06-03
ECLI:NL:CRVB:1996:ZB6146
95/902 CSV U I T S P R A A K in het geding tussen: het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Hout- en Meubelindustrie en de Groothandel in Hout, appellant, en B.V. X., gevestigd te Y., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op bij aanvullend beroepschrift d.d. 28 augustus 1995 aangegeven gronden is appellant in hoger beroep gekomen van een door de Arrondissementsrechtbank te Zutphen onder dagtekening 30 januari 1995 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. In deze uitspraak heeft de rechtbank het inleidende beroep van gedaagde tegen het bestreden besluit van 27 december 1991 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Namens gedaagde heeft drs H.Th. Kuipers, belastingadviseur te Rotterdam, bij schrijven van 10 oktober 1995 een verweerschrift ingediend. Bij brieven van 9 januari 1996 en 22 februari 1996 heeft appellant enkele vragen van de Raad beantwoord. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 22 april 1996, waar voor appellant zijn verschenen mr A.C.J.M. Schröder en mr B. de Pijper, werkzaam bij Gak Nederland B.V.. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid doen vertegenwoordigen door drs H.Th. Kuipers, voornoemd. II. MOTIVERING Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden (waarbij gedaagde wordt aangeduid als eiseres en appellant als verweerder): "Eiseres exploiteert een groothandel in dakconstructies. De assemblage van de te fabriceren daken besteedde eiseres gedurende de jaren 1986 tot en met 1989 uit aan de heer A., handelend onder de naam B.. Laatstgenoemde -te Y. gevestigde- onderneming verrichtte (nagenoeg) uitsluitend werkzaamheden voor eiseres middels een twintigtal bij B. in dienst zijnde werknemers. Ingaande 18 januari 1989 is B. gefailleerd, met achterlating van premieschulden over de jaren 1986, 1988 en 1989. Middels het bestreden besluit heeft verweerder eiseres terzake van deze premieschulden aangesproken. Verweerder heeft daarbij primair het standpunt ingenomen dat de verhouding tussen eiseres en B. (en zijn werknemers) beschouwd dient te worden als een dienstbetrekking in de zin van artikel 4 lid 1 sub a ZW, WW en WAO, op grond waarvan eiseres in haar hoedanigheid van werkgeefster premie ingevolge voornoemde wetten verschuldigd is. Subsidiair wordt eiseres op grond van artikel 16b Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) in de hoedanigheid van aannemer hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de premies welke B. als onderaannemer had dienen te voldoen met betrekking tot de voor eiseres uitgevoerde werken. Meer subsidiair wordt eiseres op grond van artikel 16a CSV hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de betaling van meergenoemde premies, welke B. als uitlenende werkgever verschuldigd is terzake van de voor eiseres (als inlener) uitgevoerde werkzaamheden.". Met betrekking tot het primaire standpunt van appellant heeft de rechtbank overwogen dat de werkzaamheden van A. werden verricht in de uitoefening van een bedrijf, zodat de arbeidsverhoudingen van A. en zijn personeel met gedaagde niet op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), als dienstbetrekkingen kunnen worden aangemerkt. Met name gelet op de omstandigheid dat A. het risico en de verantwoordelijkheid droeg voor omstreeks twintig personeelsleden en daarnaast op het feit dat A. zich ook naar buiten toe presenteerde als zelfstandig ondernemer door - onder meer - opstelling van jaarrekeningen, inschrijving in het handelsregister en het beschikken over een BTW-nummer, kan de Raad zich met dit oordeel van de rechtbank verenigen. Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van appellant heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, omdat appellant onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre aannemelijk is dat de niet-betaling van premies door A. aan hem te wijten is, zodat onvoldoende is komen vast te staan dat de uitzonderingsgrond van het zesde lid van artik