Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1995-03-31
ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5214
MAW 1993/12 U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., eiser, en de Staatssecretaris van Defensie, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 8 januari 1991 heeft de Minister van Defensie eisers bezwaarschrift d.d. 9 mei 1990, gericht tegen een besluit d.d. 11 april 1990 van de voorzitter van het Onderdeelsoverlegorgaan Centrale Organisatie inzake eisers inschrijving in het kiezersregister, niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 22 december 1992, reg.nr. MAW 91/00097, heeft de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage het door eiser tegen dit besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiser is van die uitspraak in hoger beroep gekomen op de bij aanvullend beroepschrift d.d. 14 mei 1993 aangevoerde gronden. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 9 september 1994. Eiser is daar in persoon verschenen. Gedaagde (die als uitvloeisel van de ministeriële beschikking d.d. 24 augustus 1994, Stcrt. 1994, 171, houdende de taakomschrijving van de Staatssecretaris van Defensie, als procespartij in de plaats is getreden van de Minister van Defensie) heeft zich doen vertegenwoordigen door mr S.E.J. van der Sande, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. Ter uitvoering van 's Raads bevel van 23 september 1994 heeft gedaagde een ontbrekend stuk ingezonden, waarna de behandeling van het geding is voortgezet ter terechtzitting van 10 maart 1995. Eiser is daar wederom in persoon verschenen. Gedaagde heeft heeft zich doen vertegenwoordigen door Th.J.A.M. van Lochem, werkzaam bij het Ministerie van Defensie. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking getreden en is de Ambtenarenwet 1929 gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser, sergeant-majoor der Koninklijke luchtmacht, was geplaatst op een functie bij de Directie Economisch Beheer Koninklijk luchtmacht (DEBKLu) van het Ministerie van Defensie en ressorteerde uit dien hoofde op het punt van de medezeggenschap onder het Onderdeelsoverlegorgaan Korps Luchtmachtstaven (OOO-KLS). Om hem moverende redenen wenst eiser tevens deel te hebben aan de medezeggenschap binnen de Centrale Organisatie (CO) van het Ministerie van Defensie. Daartoe heeft hij op 19 maart 1990 met toepassing van artikel 9, derde lid, eerste volzin, van het Reglement Onderdeelsoverlegorgaan Centrale Organisatie (hierna: Reglement OOO-CO) aan de verkiezingscommissie van het OOO-CO verzocht hem op te nemen in het kiezersregister van het OOO-CO. Dit verzoek is door de verkiezingscommissie afgewezen bij schrijven van 3 april 1990. Eiser heeft vervolgens met toepassing van artikel 9, derde lid, derde volzin, van het Reglement OOO-CO bezwaar gemaakt bij de voorzitter van het OOO-CO. Dit bezwaar is door de voorzitter van het OOO-CO bij schrijven van 11 april 1990 afgewezen. Daartegen heeft eiser met toepassing van de bezwarenprocedure als bedoeld in artikel 153a AMAR een bezwaarschrift ingediend bij de Minister van Defensie. Dit bezwaarschrift is bij het thans bestreden besluit d.d. 8 januari 1991 niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat een onderdeelsoverlegorgaan geen bestuursbevoegdheden bezit, noch bestempeld kan worden als een publiek orgaan, zodat het bezwaar zich richt tegen een besluit dat niet afkomstig is van een administratief orgaan. Als tweede grond voor niet-ontvankelijkverklaring is in het bestreden besluit vermeld dat eiser naar het oordeel van de Minister van Defensie door het in bezwaar bestreden besluit niet rechtstreeks als militair in zijn belang wordt getroffen, omdat een onderdeelsoverlegorgaan niet is bedoeld om individuele militairen rechtstreeks te laten meespreken over bepaalde onderw