Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1995-03-23
ECLI:NL:CRVB:1995:ZB5210
AW 1993/885 tot en met 891 U I T S P R A A K in de gedingen tussen: A., wonende te B., eiser en gedaagde, hierna: eiser, en 1. de Minister van Justitie, eiser en gedaagde, hierna: gedaagde 1, 2. het Hoofd Ondersteunende Diensten bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage en het Parket van de Procureur-Generaal van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, gedaagde, hierna: gedaagde 2. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Door eiser en namens gedaagde 1 is op daartoe bij hun respectieve aanvullende beroepschriften aangevoerde gronden in voege als in rubriek II nader aangegeven hoger beroep ingesteld tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage onder de nrs. AW 91/1259, AW 92/216, AW 92/413, AW 92/1760, AW 92/2018, AW 92,2019, AW 92/2020, AW 92/2171 en AW 93/142 gegeven uitspraak. Naar die uitspraak, die op 23 november 1993 aan partijen is verzonden, wordt hierbij verwezen. Namens gedaagde 1 is van contra-memorie gediend en zijn - desgevraagd - nadere stukken aan de Raad gezonden. Eiser heeft op 9 februari 1995 een verzoek om schadevergoeding aan de Raad doen toekomen. Namens gedaagde 1 is bij brief van 27 februari 1995 het door hem ingestelde hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op zijn besluit van 2 november 1992 ingetrokken. De gedingen zijn - gevoegd met de gedingen tussen eiser en gedaagde 1 bij de Raad bekend onder de nrs. AW 1994/170 tot en met 172 - behandeld ter zitting van de Raad van 2 maart 1995, waar eiser in persoon is verschenen en waar gedaagden zich hebben laten vertegenwoordigen door mr E.N.J. Boes, werkzaam bij het Ministerie van Justitie. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet - gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de door de eerste rechter genomen beslissingen ter zake van de door eiser ingestelde beroepen tegen de door gedaagde 1 op 3 februari 1992 opengestelde vacature van hoofd ondersteunende diensten bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage en het Parket van de Procureur-Generaal bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, de brief van gedaagde 2 van 11 mei 1992, de door gedaagde 1 op 24 augustus 1992 aan hem verstrekte taakopdracht en het besluit van gedaagde 1 van 12 januari 1993. Het van de zijde van gedaagde 1 ingestelde hoger beroep heeft - nog - betrekking op de in de aangevallen uitspraak vervatte beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de beroepen van eiser tegen gedaagdes besluiten van 16 december 1991, 9 juni 1992 en 12 januari 1993. Onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak voor een meer uitgebreide weergave van de in de onderhavige gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden, overweegt de Raad naar aanleiding van evenvermelde hoger beroepen het volgende: a. met betrekking tot het besluit van gedaagde 1 van 16 december 1991 Nadat het Gerechtshof te 's-Gravenhage (hierna: het Hof) op 10 juni 1991 het Openbaar Ministerie in een 45-tal strafzaken niet-ontvankelijk had verklaard wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is door gedaagde 1 besloten de leiding van zowel de griffie van het Hof als van het Parket van de Procureur-Generaal bij het Hof (hierna: het Parket) op te dragen aan een interim-onderdeelsmanager totdat een structurele voorziening zou zijn getroffen voor een eenhoofdige leiding voor evenbedoelde onderdelen. In verband met die (voorgenomen) reorganisatie is de kabinets-chef van het Parke Met betrekking tot die openstelling, die eiser na 3 februari 1992 ter kennis was gekomen, had eiser op 7 februari 1992 de voorzitter van het toenmalige Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage verzocht om een beslissing bij voorraad als bedoeld in artikel 102 van de Ambtenarenwet 1929. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van eiser tegen evenbedoelde openstelling wegens overschrijding van de beroepstermijn niet ontvankelijk verklaard. Eiser heeft in hoger beroep die beslissing van de eerste rechter bestreden, stellende dat hij zijn beroep tijdig heeft ingesteld nu zulks overeenkomstig artikel 102, vierde lid, van de Ambtenarenwet 1929 is gedaan binnen acht dagen na 12 maart 1992, de datum waarop op zijn verzoek om een beslissing bij voorraad van 7 februari 1992 was beslist. De Raad onderschrijft het oordeel van de eerste rechter dat het bepaalde in artikel 102, vierde lid, van de Ambtenarenwet 1929 de in artikel 60 van die wet voorgeschreven beroepstermijn onverlet laat en dat eiser, nu vast staat dat hij bij het instellen van zijn beroep tegen de openstelling van meerbedoelde vacature laatstbedoelde termijn heeft overschreden, in dat beroep niet-ontvankelijk is. In zoverre komt de aangevallen uitspraak dan ook voor bevestiging in aanmerking. c. met betrekking tot het besluit van gedaagde 2 van 11 mei 1992 Bij brief van 11 mei 1992 heeft gedaagde 2 eiser doen weten dat eiser het vertrouwen in hem als plaatsvervangend kabinetschef in ernstige mate heeft geschaad omdat hij zijn advocaat tijdens een door hem tegen de Staat der Nederlanden aangespannen kort geding mededeling had laten doen van het - volgens gedaagde 2 ook onjuiste - gegeven dat in 1991 ongeveer 700 strafzaken wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk waren verklaard. Onder overweging dat het een afkeurende mededeling met een intern karakter betrof, heeft de eerste rechter eiser in zijn beroep tegen de brief van 11 mei 1992 niet-ontvankelijk verklaard. De Raad kan zich met deze beslissing verenigen. Hetgeen van de zijde van eiser in hoger beroep naar voren is gebracht heeft ook de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen dat de brief van 11 mei 1992 ertoe strekt in te grijpen in de (rechts)positie van eiser, zodat moet worden geconstateerd dat in casu slechts sprake is van een reactie welke te rekenen valt tot de normale in een organisatorisch verband soms benodigde sturingsmiddelen, waarvan de leiding zich ten opzichte van de onder die leiding gestelden kan bedienen. Van een appellabel besluit in de zin van de Ambtenarenwet 1929 is dan ook geen sprake. De aangevallen uitspraak komt derhalve ook op dit punt voor bevestiging in aanmerking. d. met betrekking tot het besluit van gedaagde 1 van 9 juni 1992 Beslissend op meergenoemd door eiser op 7 februari 1992 gedaan verzoek om een beslissing bij voorraad heeft de voorzitter van het toenmalige Ambtenarengerecht te 's-Gravenhage op 12 maart 1992 bepaald dat gedaagde 1 de procedure tot definitieve vervulling van de hiervoor vermelde vacature hoofd ondersteunende diensten dient op te schorten totdat het gehele reorganisatieplan voor het Hof en het Parket was vastgesteld conform de toepasselijke bepalingen van het ARAR. Nadat eiser was gebleken dat de selectieprocedure voor meergenoemde functie hoofd ondersteunende diensten met ingang van 12 maart 1992 niet was gestaakt, heeft hij in kort geding gevorderd de Staat der Nederlanden te veroordelen om te voldoen aan evenbedoelde beslissing bij voorraad, zulks op verbeurte van een dwangsom. Onder meer in aanmerking nemend dat inmiddels was besloten de gesprekken met de betrokken sollicitanten te stoppen, van welke beslissing die sollicitanten bij brief van 27 maart 1992 op de hoogte waren gesteld, heeft de president van de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage bij zijn vonnis in kort geding van 14 april 1992 eisers vordering afgewezen en eiser veroordeeld in de proceskosten van de Staat der Nederlanden tot een bedrag van f 1.000,-. Op 9 juni 1992 heeft gedaagde Aangezien de taakopdracht aan eiser in oktober 1992 was ingetrokken, heeft hij eisers bezwaren tegen de inhoud van de taakopdracht onbesproken gelaten en voorts geoordeeld dat gedaagde 1 terecht heeft kunnen en mogen twijfelen aan eisers loyaliteit en om die reden in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing hem tijdelijk niet te belasten met de aan zijn functie van plaatsvervangend kabinetschef verbonden werkzaamheden. Naar aanleiding van het door eiser tegen dit onderdeel van de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep merkt de Raad in de eerste plaats op dat hij - anders dan kennelijk de eerste rechter - van opvatting is dat met de intrekking van de op 24 augustus 1992 aan eiser gegeven speciale taakopdracht eveneens de daaraan inherente beslissing eiser tijdelijk zijn werkzaamheden als plaatsvervangend kabinetschef niet te laten vervullen, is komen te vervallen. In het gegeven dat gedaagde 1 om hem moverende redenen heeft besloten het besluit van 24 augustus 1992 niet te handhaven - en in aanmerking nemend dat niet kan worden ontkend dat eiser - enig - procesbelang heeft behouden bij een uitspraak met betrekking tot het door hem tegen dat ingetrokken besluit ingestelde beroep - acht de Raad in het onderhavige geval voldoende grond gelegen om, met vernietiging van de aangevallen uitspraak in zoverre, het besluit van gedaagde 1 alsnog nietig te verklaren. f. met betrekking tot het besluit van 12 januari 1993 (AW 1993/891) Bij besluit van 12 januari 1993 heeft gedaagde 1 met toepassing van artikel 58, eerste lid, van het ARAR eiser met ingang van 18 januari 1993 tijdelijk - tot uiterlijk 1 januari 1994 - tewerkgesteld bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven in de functie van juridisch medewerker. Gedaagde 1 is daartoe overgegaan omdat naar zijn opvatting door eisers opstelling dusdanige twijfel was gerezen met betrekking tot diens loyaliteit ten opzichte van de organisatie, dat het vertrouwen in eiser zodanig was ondermijnd dat uitzicht op een goede functievervulling als plaatsvervangend kabinetschef niet meer aanwezig werd geacht. De eerste rechter heeft dit besluit, onder gegrondverklaring van het daartegen ingestelde beroep, nietig verklaard en die nietigheid voor gedekt verklaard. Aan die beslissing ligt de overweging ten grondslag dat, waar gedaagde 1 eiser niet vooraf over die tijdelijke tewerkstelling heeft gehoord, het besluit wegens onzorgvuldigheid niet in stand kan blijven. Overwegend dat gedaagde 1 overigens in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn beslissing eiser op grond van het gerezen gebrek aan vertrouwen tijdelijk te belasten met de als passend aan te merken functie van juridisch medewerker bij het Schadefonds Geweldsmisdrijven, heeft de eerste rechter die nietigheid voor gedekt verklaard. Ten aanzien van deze beslissing van de eerste rechter, waarvan zowel eiser als gedaagde 1 in hoger beroep zijn gekomen, overweegt de Raad het volgende: Uit de gedingstukken blijkt en namens gedaagde 1 is ter zitting van de Raad ook erkend, dat gedaagde 1 bij het nemen van zijn besluit van 12 januari 1993 de mogelijkheid dat eiser zou terugkeren in zijn vroegere functie van plaatsvervangend kabinetschef niet - meer - reëel achtte. In het onderhavige geval moet dan ook worden geconstateerd dat het hier feitelijk gaat om een definitieve ontheffing uit de vroegere functie, gevolgd door een tijdelijke tewerkstelling in een andere functie, zulks in afwachting van een definitieve plaatsing in een nieuwe passende functie. In aanmerking genomen dat de onderhavige tijdelijke tewerkstelling is ingegeven door de definitieve ontheffing uit de vroegere functie, wat naar het oordeel van de Raad toepassing van artikel 57 van het ARAR vergt, kan de Raad gedaagde 1 en de eerste rechter niet volgen in het standpunt dat het besluit van 12 januari 1993 kon worden gebaseerd op artikel 58 van het ARAR. Ook met betrekking tot de constatering dat in het onderhavige geval voor een - definitieve - ontheffing van eiser uit zijn vro