Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1995-02-16
ECLI:NL:CRVB:1995:ZB1353
AMP 1994/17 U I T S P R A A K in het geding tussen: de Staatssecretaris van Defensie, appellant, en A., wonende te B. (Zuid-Afrika), gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 30 januari 1992 heeft de Minister van Defensie ten aanzien van gedaagde een in afschrift aan deze uitspraak gehecht besluit genomen. De Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 28 maart 1994, nummer MAW 92/00340, het beroep dat gedaagde tegen dit besluit heeft ingesteld, gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, alsmede de Minister van Defensie opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Van deze uitspraak is de Minister van Defensie bij de Raad in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift is uiteengezet waarom appellant zich met de aangevallen uitspraak niet kan verenigen. Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van 5 januari 1995. Daar heeft appellant, die als uitvloeisel van de ministeriële beschikking d.d. 24 augustus 1994, Stcrt. 1994, 171, houdende de taakomschrijving van de Staatssecretaris van Defensie, als procespartij in de plaats is getreden van de Minister van Defensie, zich doen vertegenwoordigen door mr B. Lynen, werkzaam bij het Ministerie van Defensie, terwijl gedaagde niet is verschenen. II. MOTIVERING Blijkens de gedingstukken is gedaagde van 4 juni 1947 tot 1 mei 1953 in werkelijke militaire dienst geweest, eerst als vrijwillig en nadien als gewoon dienstplichtige, laatstelijk in de rang van sergeant; bij de demobilisatiekeuring op 2 mei 1953 werd "geen bijzonderheden" genoteerd. Ingaande 1 oktober 1968 is hij uit de militaire dienst ontslagen wegens diensteindiging. In april 1989 heeft gedaagde een verzoek ingediend om toekenning van een militair invaliditeitspensioen ingevolge de Algemene militaire pensioenwet, zulks in verband met gehoorklachten die hij toeschrijft aan een schietoefening in maart 1953. Gedaagde is vervolgens vanwege de Minister van Defensie onderworpen aan een commissoriaal geneeskundig onderzoek. In het van dit onderzoek opgemaakte rapport d.d. 24 november 1989 wordt geconcludeerd dat de bij gedaagde geconstateerde gehooraandoening beiderzijds is veroorzaakt door de militaire dienst, indien het aan hem overkomen schietongeval wordt aangemerkt als een ongeval hem overkomen in verband met de uitoefening van de militaire dienst. Daarop heeft de Minister van Defensie de Koninklijke Marechaussee een onderzoek laten instellen terzake van het door gedaagde gestelde schietongeval. In het kader van dit onderzoek is een drietal, door gedaagde genoemde, getuigen gehoord, te weten C., D. en E. Daarbij bleek C. niet tezamen met gedaagde te hebben gediend, terwijl E. zich van het gestelde voorval niets kon herinneren; D. tenslotte had gedaagde destijds wel horen klagen over oorsuizingen in verband met een schietoefening en ook gemerkt dat gedaagde last had van doofheid, doch was niet zelf bij de bewuste schietoefening betrokken geweest. Gezien de resultaten van het onderzoek en in aanmerking genomen het ontbreken van enig medisch gegeven terzake uit gedaagdes militaire dienstperiode, heeft de Minister van Defensie bij het bestreden besluit gedaagdes verzoek om toekenning van een militair pensioen afgewezen op de grond dat niet is komen vast te staan dat gedaagde in 1953 een ongeval is overkomen tijdens de uitoefening van militaire dienst als gevolg waarvan hij gehoorklachten zou hebben gekregen. Tegen dit besluit heeft gedaagde beroep ingesteld bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage. In het kader daarvan heeft hij aan de rechtbank overgelegd afschrift van een schrijven d.d. 15 september 1993 aan E. voornoemd, bevattende een uitvoerige reconstructie van het door hem gemelde schietongeval en de gebeurtenissen daaromheen, met - aangegeven - oogmerk om bij E. een herinnering van het gebeuren te bewerkstelligen. Op deze brief is geen reactie gekomen. Wel heeft gedaagde, n