Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1994-11-29
ECLI:NL:CRVB:1994:ZB0920
Bestuursrecht
AAW/WAO 1992/670 U I T S P R A A K in het geding tussen: A., wonende te B., eiser, en het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens eiser is mr C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden in hoger beroep gekomen van een door de voormalige Raad van Beroep te Haarlem onder dagtekening 24 april 1992 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft bij brief van 13 juli 1993 de Raad afschriften gezonden van twee beslissingen van die datum van gedaagdes bedrijfsvereniging, respectievelijk van het bestuur van de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten. Bij brief van 11 augustus 1994 heeft gedaagde een reactie van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) op een brief van eisers huisarts van 10 maart 1992 aan de Raad doen toekomen. mr Raaijmakers voornoemd, terwijl voor gedaagde is verschenen mr G.B.A. van Ginkel, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in werking getreden en de Beroepswet gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Awb. Uit de gedingstukken blijkt dat eiser laatstelijk via een uitzendbureau als produktiemedewerker heeft gewerkt bij B.V. X. te Y. (X.). Begin 1984 heeft eiser zich ziek gemeld met rugklachten. Eiser heeft vervolgens uitkering ingevolge de Ziektewet ontvangen. Tussentijds heeft eiser ook nog een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet van gedaagdes bedrijfsvereniging ontvangen. Eiser is met ingang van 14 februari 1985 voor de Ziektewet hersteld verklaard maar heeft zijn werkzaamheden niet meer bij X. hervat. Eiser heeft vervolgens vanaf 1 maart 1985 tot 28 januari 1987 een uitkering ingevolge de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) ontvangen. Vanaf 28 januari 1987 ontvangt eiser een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling Werkloze Werknemers. In juni 1990 heeft eiser via zijn advocaat mr Raaijmakers een melding AAW bij gedaagde ingediend. Daarop was aangegeven dat eiser zich vanaf 1984 arbeidsongeschikt achtte. Voorts verzocht mr Raaijmakers met zijn brief van 11 juni 1990 gedaagde "de aanvraag aaw/wao" door te sturen naar de Bedrijfsvereniging voor Overheidsdiensten, indien eisers arbeidsongeschiktheid zou zijn ontstaan in de periode waarin hij een uitkering ingevolge de WWV ontving. Een en ander heeft geleid tot de bestreden beslissing van 15 mei 1991 die, voor zover van belang, als volgt luidt: "U hebt een aaw-uitkering aangevraagd, omdat u sedert 1984 arbeidsongeschikt zou zijn. Wij zijn echter van mening dat uw arbeidsongeschiktheid op 1 oktober 1989 is ingetreden en dat er gedurende de periode van 1984 tot 1 oktober 1989 geen periode is aan te wijzen waarin u onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt bent geweest. Voor het recht op een aaw-uitkering moet in het jaar voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid een inkomen uit arbeid (of een daarmee gelijk te stellen inkomen, in de vorm van uitkering) zijn verdiend van tenminste f. 4.403.62. U voldoet hier niet aan. De aaw maakt voor bepaalde groepen verzekerden een uitzondering op de regel dat tenminste f. 4.403.62 moet zijn verdiend. In hoofdlijnen samengevat geldt deze uitzondering onder andere voor: - zelfstandigen en hun meewerkende echtgenotes, die gedurende 6 maanden tenminste gemiddeld 40 uur per week hebben gewerkt in het jaar voor de arbeidsongeschiktheid; - degenen, die in het jaar vóór de arbeidsongeschiktheid gedurende 6 maanden student waren; - ongehuwden, die (een van) hun ouders, broers of zusters beneden de 18 jaar verzorgen en met (een van) hen een huishouden vormden in het jaar vóór de arbeidsongeschiktheid. U valt niet onder de uitzondering, die de aaw maakt. Om deze redenen kennen wij u geen aaw-uitkering toe.". De eerste rechter heeft deze beslissing in stand gelaten. Tijdens de procedure in hoger beroep zijn aan eiser de twee in rubriek I vermelde beslissingen van 13 juli 1993 uitgereikt. "U heeft op 11 juni 1990 verzocht in aanmerking te komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, daar u sedert 1 januari 1984 arbeidsongeschikt zou zijn. Periode waarover deze beslissing zich uitstrekt. In de periode 1 maart 1985 tot 28 februari 1987 is onze bedrijfsvereniging bevoegd te oordelen over uw rechten ingevolge de AAW en de WAO, omdat u vanaf 1 maart 1985 tot 28 januari 1987 in het genot was gesteld van een uitkering ingevolge de Wet werkloosheidsvoorziening. Geen toekenning. Het bestuur van de bedrijfsvereniging is, mede gelet op het van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) ontvangen advies, van oordeel dat u geen recht heeft op uitkeringen ingevolge de AAW en de WAO. Reden. In zowel de AAW als de WAO is (onder meer) bepaald dat de verzekerde die arbeidsongeschikt wordt recht heeft op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is. Het bestuur van de bedrijfsvereniging is van oordeel dat u in het tijdvak van 1 maart 1985 tot 28 februari 1987 niet, althans niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt bent geweest, terwijl er eveneens in deze periode geen tijdstip is aan te wijzen waarop een dergelijke periode van 52 weken een aanvang heeft genomen. Artikelen. Bij deze beslissing is onder meer in aanmerking genomen het bepaalde in de artikelen 5, 6, 10, 64, 79 en 80 van de AAW en de artikelen 7, 18, 19, 21, 71, 87 en 88 van de WAO.".
Toegepaste wetsartikelen
- Artikel 71 — Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Artikel 6 — Besluit voorkoming of beperking samenloop AAW-uitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid
- Artikel 7 — Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Artikel 88 — Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Artikel 87 — Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Artikel 5 — Besluit voorkoming of beperking samenloop AAW-uitkering met uitkering ingevolge de sociale wetgeving van een andere Mogendheid
- Artikel 21 — Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
- Artikel 6 — Regeling samenloop van ziekengeld met arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW en de WAO
- Artikel 5 — Regeling samenloop van ziekengeld met arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de AAW en de WAO