Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1994-04-14
ECLI:NL:CRVB:1994:AN3766
AW 1993/224 U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, en de Ministers van Algemene Zaken, van Binnenlandse Zaken en van Verkeer en Waterstaat, als vertegenwoordigers van H.M. de Koningin, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Eiser heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep doen instellen, als hierna aangegeven, tegen de door de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage op 9 maart 1993 onder diverse nummers, waaronder nr. AW 91/36, gegeven uitspraak. Naar die uitspraak wordt hierbij verwezen. Namens gedaagde heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat van contra-memorie doen dienen. Desgevraagd zijn namens de Minister van Binnenlandse Zaken nog enige stukken aan de Raad toegezonden. Van de zijde van eiser is op 23 maart 1994 een nader besluit van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 februari 1994 aan de Raad overgelegd. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 24 maart 1994, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P.T. Pel, advocaat en procureur te Hattem. Gedaagde heeft zich niet ter terechtzitting doen vertegenwoordigen. II. MOTIVERING Met ingang van 1 januari 1994 is de Algemene wet bestuursrecht in werking getreden en de Ambtenarenwet 1929 - sindsdien geheten Ambtenarenwet - gewijzigd. De in dit kader gegeven wettelijke regels van overgangsrecht brengen echter mee dat op het onderhavige hoger beroep moet worden beslist met toepassing van het procesrecht zoals dat luidde vóór 1 januari 1994, behoudens wat betreft de mogelijkheid van vergoeding van proceskosten als geregeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Eiser heeft (met anderen) bij de arrondissementsrechtbank beroep ingesteld tegen de impliciete weigering van de Kroon, blijkende uit het koninklijk besluit van 24 november 1986, nr. 14, hem op grond van artikel 19 juncto artikel 25, tweede lid, van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984 (hierna: BBRA 1984) een tijdelijke toelage toe te kennen. Voor een overzicht van de feiten wordt overigens verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het beroep van eiser tegen die uitspraak is niet gericht tegen de beslissing van de rechtbank het koninklijk besluit van 24 november 1986, nr. 14, nietig te verklaren, maar tegen een overweging welke de rechtbank als "ten overvloede" in haar uitspraak heeft opgenomen. Deze overweging houdt samengevat in, dat het bestreden besluit niet in strijd geacht kan worden met het vertrouwensbeginsel, omdat de toelage, in geding, niet door de Minister van Verkeer en Waterstaat wordt toegekend, maar, op voordracht van drie ministers, door de Kroon. Zulks brengt mee, aldus de rechtbank, dat het niet uitsluitend in de macht van de Minister van Verkeer en Waterstaat ligt aan diens ambtenaren deze toelage toe te kennen. Klagers kunnen, vervolgt de rechtbank, redelijkerwijs geacht worden van deze omstandigheid op de hoogte te zijn geraakt, hetzij door kennisneming van de artikelen 19 en 25, tweede lid, van het BBRA 1984, hetzij door de circulaire van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 januari 1985 of anderszins. De Raad overweegt ter zake het volgende. De rechtbank toetst in haar uitspraak het bestreden besluit aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en oordeelt dat de aan dat besluit ten grondslag liggende voordracht, en daarmee dat besluit zelve, in strijd is met die beginselen, welke vorderen dat besluiten zorg-vuldig worden voorbereid en dat besluitvorming pas plaatsvindt na afweging van de in aanmerking komende belangen. Na deze conclusie geeft de rechtbank de bovenvermelde overweging "ten overvloede". In feite bevat deze overweging echter evenzeer een toetsing van het besluit aan een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zij het dat in dit geval geen reden wordt gezien voor de conclusie dat sprake is van strijd met dat beginsel. De Raad is daarom van oordeel dat bedoelde overweging inzake het vertrouwensbeginsel, evenzeer als de eerdere