Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1992-01-28
ECLI:NL:CRVB:1992:AK9560
Uitspraak Uitspraak in het geding tussen Y. C.-C., te R., eiseres, en het bestuur van de BV voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen, Bedrijfsafdeling Grootwinkelbedrijf, gedaagde I.Ontstaan en loop van het geding Bij brief van 3 februari 1989 is vanwege gedaagde aan eiseres kennis gegeven van een beslissing, de uitvoering van de Werkloosheidswet (WW) betreffende. De Raad van Beroep te Rotterdam heeft bij uitspraak van 28 november 1989 het tegen deze beslissing, zoals deze tijdens de gedingvoering in eerste aanleg is gewijzigd, ingestelde beroep ongegrond verklaard. Eiseres is bij gemachtigde mr. W.H.M. U., advocaat te R., van die uitspraak in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift — met bijlage — zijn de gronden voor het hoger beroep uiteengezet. Bij brief van 10 oktober 1991 heeft gedaagde een nadere beslissing van zijn Kleine Commissie aan de Raad toegezonden en de Raad verzocht de bestreden beslissing te lezen zoals gewijzigd bij die nadere beslissing. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 7 januari 1992, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. U. voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen. II.Motivering De Raad heeft geen termen aanwezig geacht te voldoen aan het onder I vermelde verzoek van gedaagde om de bestreden beslissing te lezen als ware daarin gedaagdes gewijzigde sanctiebesluit neergelegd. Daarbij heeft de Raad onder meer in aanmerking genomen dat gedaagdes verzoek eerst in een vrij laat stadium is gedaan alsmede dat het in casu niet gaat om een besluit dat is genomen binnen het kader van een en dezelfde wijze van sanctietoepassing. Van een blijvend gehele weigering kan immers bezwaarlijk worden gezegd dat dit een percentueel en in tijd begrensde sanctie is. De Raad beoordeelt derhalve de bestreden beslissing zoals deze, na een hernieuwde voorlegging aan gedaagdes Kleine Commissie op 1 augustus 1989, is komen te luiden en als zodanig door de eerste rechter — gewijzigd — is gelezen. Daarbij gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. Ingaande 2 mei 1988 zijn de eerder door gedaagde aan eiseres toegekende uitkeringen ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ingetrokken, onder meer op de grond dat eiseres op en na die datum in staat was te achten tot het verrichten van bij haar werkgever M. P. BV te R. beschikbare, passende arbeid op de retourafdeling. Bij uitspraak van deze Raad van heden nr. AAW/WAO 1990/3 is de uitspraak van de Raad van Beroep te Rotterdam van 28 november 1989, waarbij het beroep tegen die intrekking ongegrond is verklaard, bevestigd. Na hervatting van die werkzaamheden op 2 mei 1988 heeft eiseres haar werkzaamheden op 24 mei 1988 opnieuw gestaakt. Gedaagde heeft geweigerd de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te heropenen, daar eiseres niet arbeidsongeschikt werd bevonden. Tegen die weigering is door of namens eiseres geen beroep ingesteld. Eiseres heeft het werk na 24 mei 1988 niet hervat en heeft sedertdien ook geen loon meer ontvangen. Op 17 juni 1988 heeft eiseres zich als werkzoekende bij het Gewestelijk Arbeidsbureau (GAB) laten inschrijven en zich tot gedaagde gewend met het verzoek om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering krachtens de WW. Daarbij heeft eiseres verklaard zich niet tot werken in staat te achten en zich dan ook niet beschikbaar te stellen voor werk. Nadien is eiseres in zoverre van deze verklaring teruggekomen, dat zij zich nog steeds niet in staat achtte haar eigen werk te hervatten, maar dat zij zich vanaf 24 juni 1988 wel beschikbaar stelde voor ander licht, passend, werk. Bij de bestreden beslissing heeft gedaagde besloten aan eiseres blijvend geheel een WW-uitkering te weigeren, daar zij niet heeft voldaan aan de verplichtingen van art. 24, lid 1 aanhef en sub b ten 2e, 3e en 4e. Tot 24 juni 1988 heeft eiseres naar het oordeel van gedaagde geen recht op uitkering, omdat zij niet als werkloos is aan te merk