Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1988-09-28
ECLI:NL:CRVB:1988:ZB3177
Centrale Raad van Beroep, AOW 1987/49 Uitspraak Inzake: het bestuur der Sociale Verzekeringsbank, eiser, en M.B. wonende te A., gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Onder dagtekening 8 mei 1985 heeft eiser aan gedaagde mededeling gedaan van de beslissing om aan haar ingaande 1 september 1983 een pensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (hierna: AOW) toe te kennen met een korting op dat pensioen van 24% wegens - afgerond - 12 niet-verzekerde jaren. De Raad van Beroep te Amsterdam heeft bij uitspraak van 20 juli 1987 het door gedaagde tegen deze beslissing ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing vernietigd en bepaald dat gedaagde ingaande 1 september 1983 aanspraak heeft op een ongekort ouderdomspensioen. Eiser is van deze uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. In een aanvullend beroepschrift d.d. 9 september 1987 zijn de gronden vervat van het verzoek aan de Raad de aangevallen uitspraak te vernietigen. Dit aanvullend beroepschrift is in fotocopie aan deze uitspraak gehecht. Mr. H.C., advocaat te A., heeft namens gedaagde op 26 november 1987 van contra-memorie gediend. Fotocopie van deze contra-memorie is eveneens aan deze uitspraak gehecht. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad op 7 september 1988, alwaar namens eiser Mr. R.Z., werkzaam bij de Sociale Verzekeringsbank, is verschenen. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door Mr. H.C., voornoemd als raadsman, alsmede door haar vroegere echtgenoot F.C., wonende te A. II. MOTIVERING Gedaagde, geboren [in] 1918 in Frankrijk, is blijkens de gedingstukken op 22 december 1952 gehuwd met F.C., die als Nederlander van geboorte in 1949 uit Nederland is vertrokken om met zijn eigengebouwde schip "De M." een wereldreis te maken. Door het huwelijk met F.C. verkreeg gedaagde naast de Franse ook de Nederlandse nationaliteit. Tijdens hun huwelijk, waaruit twee zonen werden geboren, dreef F.C. vanaf zijn schip "de M." en lager vanaf een groter schip "de E.", die op naam van gedaagde stond, handel in onder meer duikersbenodigdheden met de bemanning van de Zesde vloot van de Verenigde Staten, die op verschillende lokaties in het Middellandse zeegebied gestationeerd was. Ook verrichtte F.C. duikerswerkzaamheden ten behoeve van de marine van de Verenigde Staten. Het gezin woonde aan boord, eerst van "de M." en later van "de E." en reisde voortdurend over de Middellandse Zee, zonder dat er een haven viel aan te wijzen, waar het steeds naar terugkeerde terwijl bovendien slechts over een postadres in Frankrijk werd beschikt. In verband met de verdere schoolopleiding van beide zonen reisde het gezin in 1969 richting Nederland, waarbij gedaagde eerst een aantal maanden met haar kinderen in Frankrijk heeft gewoond. Daarna vestigde het gezin zich blijvend in Nederland. In 1978 zijn gedaagde en F.C. gescheiden. Aan F.C. is bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd ingaande 1 maart 1982 een ongekort pensioen krachtens de AOW toegekend. Kort daarna heeft eiser nog een onderzoek uitgevoerd naar de vraag of op het pensioen van F.C. een korting moest worden toegepast, doch deze vraag werd - zoals later bleek, ten onrechte - ontkennend beantwoord. Naar aanleiding van de aanvrage van gedaagde om een AOW-pensioen d.d. 7 juni 1983, heeft eiser een onderzoek ingesteld naar de verzekerde tijdvakken van gedaagde ingevolge de AOW. Bij dit onderzoek werd vastgesteld dat zowel voor gedaagde als voor F.C. de jaren 1957 tot - in de loop van - 1969 (voor gedaagde tot 9 november 1969 en voor F.C. tot 26 mei 1969) niet als verzekerde jaren ingevolge de AOW moesten worden aangemerkt. Aangezien F.C. inmiddels gedurende bijna twee jaar een ongekort ouderdomspensioen genoot en eerder tussentijds onderzoek had geleid tot de conclusie dat geen korting diende te worden toegepast, is geen wijziging gebracht in de hoogte van zijn pensioen. Het AOW-pensioen van gedaagde werd echter gekort met 24% wegens - afgerond - 12 niet-verzekerde jaren. Partijen worden in dit gedi Op grond van alle feiten en omstandigheden, die gebleken zijn uit de gedingstukken en de toelichting zijdens gedaagde ter terechtzitting, is de Raad anders dan de eerste rechter van oordeel dat gedaagde gedurende de jaren 1957-1969 totdat gedaagde naar Nederland is gekomen, niet als ingezetene, dus ook niet als verzekerde ingevolge de AOW, kan worden aangemerkt. Gedaagde heeft samen met F.C. en hun kinderen gedurende deze jaren een zwervend bestaan in het Middellandse zeegebied geleid en zij heeft tot aan haar aankomst in Nederland nimmer enige haven op het Nederlandse territorium in die jaren aangedaan. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat gedaagde een thuishaven in een van de landen rond de Middellandse Zee heeft gehad, omdat de perioden van verblijf kort waren en steeds een andere haven werd aangedaan. Voorts kan niet gezegd worden dat gedaagde een thuishaven in Nederland heeft gehad, juist omdat in de periode in geschil nimmer een Nederlandse haven bezocht is. Met verschillende landen bestonden min of meer formele banden. Zo beschikten de echtelieden over een visum voor Italie, een postadres in Frankrijk en handelde F.C. aanvankelijk in het kader van een in Nederland ingeschreven vennootschap onder firma, die later omgezet werd in een eveneens in Nederland ingeschreven commanditaire vennootschap. De beide schepen voeren onder Nederlandse vlag en gedaagde had naast de Franse de Nederlandse nationaliteit. Ter zake van de inkomsten uit handelsaktiviteiten van F.C. is door geen van de landen waarmee zekere banden bestonden, belasting geheven, noch is aansluiting gevonden bij enig stelsel van sociale verzekering. Anders dan de eerste rechter ziet de Raad geen aanknopingspunten voor het hanteren van de premisse dat slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden de conclusie mag worden getrokken dat een persoon nergens woonplaats heeft. Daargelaten het feit dat wellicht juist hier wel gesproken zou kunnen worden van dergelijke bijzondere omstandigheden, is de Raad van oordeel dat de bewoordingen van artikel 3, eerste en tweede lid, van de AOW geen ruimte geven voor een uitleg die steun geeft aan de stelling dat ingezetenschap in Nederland moet worden aangenomen, tenzij een woonplaats of thuishaven elders kan worden aangewezen. Zodanig ruimte ziet de Raad ook niet in verband met de rechtsontwikkeling binnen de Europese gemeenschappen, op grond waarvan louter aan de nationaliteit van de "vlag" van een schip rechtsgevolgen zouden worden verbonden voor de bemanning van dat schip. Artikel 3, eerste lid, van de AOW houdt een verwijzing in naar alle van belang zijnde omstandigheden, waarbij mede gelet op artikel 3, tweede lid, van de AOW de nationaliteit van de "vlag" van een schip een van die omstandigheden kan vormen. Juist het begrip "thuishaven" in artikel 3, tweede lid, van de AOW wijst eerder op een materiele benadering door de wetgever van de band met Nederland, dan op een formele band die voortvloeit uit bij voorbeeld de nationaliteit van het schip op basis van de registratie in een bepaald land van dat schip alleen. Ondanks het bestaan van enige - hiervoor gereleveerde - banden van gedaagde gedurende de jaren 1957-1969 met Nederland, komt de Raad tot de slotsom dat deze banden te zwak zijn om gedaagde tot aan haar aankomst in Nederland in 1969 als ingezetene aan te merken. Gelet op het voorgaande moet - hoewel hier niet rechtstreeks in geschil - tevens geoordeeld worden dat eiser in strijd met de AOW geen korting heeft toegepast op het AOW-pensioen van F.C. Namens gedaagde is nog aangevoerd dat door de weigering van eiser om aan gedaagde een ongekort ouderdomspensioen toe te kennen, er sprake is van een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling van gedaagde ten opzichte van F.C. en dat voorts eiser had behoren te overwegen of er in dit geval gronden waren om, zonder dat de AOW hiertoe een rechtsplicht schept, gedaagde een aanvulling te geven op het gekorte AOW-pensioen, zodat gedaagde eenzelfde maandbedrag betaalbaar gesteld k