Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1988-01-05
ECLI:NL:CRVB:1988:AK7922
CENTRALE RAAD VAN BEROEP AAW 1982/S 122 UITSPRAAK in het geding tussen: het bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging, eiser, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I . ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij brief van 12 mei 1981 is vanwege eiser aan gedaagde kennis gegeven van een beslissing van de volgende inhoud: "U ontvangt een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% waarbij een uitkeringspercentage hoort van 80. Met ingang van 19 mei 1980 dienen wij uw recht op AAW uitkering opnieuw te beoordelen in verband met uw huwelijk. In de wet inzake nadere wijziging van de AAW en WAO (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen) is bepaald dat de gehuwde vrouw wier arbeidsongeschiktheid is ingetreden voor 1 oktober 1975 slechts dan recht op uitkering toekomt indien zij op haar 17e jaar reeds arbeidsongeschikt was en dat sindsdien bij voorduring is gebleven. Aangezien u niet aan bovengenoemde voorwaarde voldoet en evenmin geacht kunt worden aan die voorwaarde te voldoen wordt u met ingang van 19 mei 1980 geen verdere uitkering verleend krachtens de AAW. Deze beslissing is genomen met in achtneming van het bepaalde in de artikelen 6, 79 en 80 van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en artikel VI van de wet tot nadere wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet.”. De Raad van Beroep te Amsterdam heeft die beslissing bij uitspraak van 15 januari 1982 vernietigd. Eiser is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) ontwikkelde gronden heeft eiser de Raad verzocht de aangevallen uitspraak te vernietigen en zijn beslissing van 12 mei 1981 alsnog te bevestigen. Bij brief van 11 februari 1983 heeft Mr. H.D. van der Schaar, advocaat te Amsterdam, als gemachtigde van gedaagde op het aanvullend beroepschrift gereageerd. Bij beschikking van 24 augustus 1984 heeft de voorzitter van de Raad met toepassing van artikel 152a van de Beroepswet het hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak vernietigd. Gedaagde heeft tegen die beschikking verzet doen aantekenen. Haar gemachtigde heeft in een aanvullend verzetschrift de gronden uiteengezet waarop het verzet berust. Bij brief van 2 september 1987 (met bijlagen) heeft eiser zijn standpunt nader toegelicht. Het geding is behandeld ter terechtzitting van de Raad van 24 november 1987. Eiser werd daar vertegenwoordigd door Mr. J.B.M. Laddrak, werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. Gedaagde is verschenen bij gemachtigde Mr. Van der Schaar, voornoemd. II. MOTIVERING Nu de Raad geen termen aanwezig heeft geacht om het verzet tegen de beschikking van zijn voorzitter van 24 augustus 1984 niet-ontvankelijk te verklaren, is die beschikking overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Beroepswet vervallen en is de gewone behandeling van het hoger beroep hervat. Gedaagde, geboren op 12 oktober 1951, heeft van 1966 af gedurende hele dagen arbeid in loondienst verricht als (leerling-)etaleuse. Na de geboorte van haar zoon in december 1972 heeft zij die arbeid nog slechts voor halve dagen hervat. In april 1975 heeft zij haar inkomenvormende arbeid geheel beëindigd. Sedertdien genoot zij een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet. Onder dagtekening 18 april 1977 heeft gedaagde, die toen ongehuwd was, zich in verband met spier- en gewrichtsklachten tot eisers bedrijfsvereniging gewend met een schriftelijk verzoek om een uitkering krachtens de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Zij vermeldde daarbij dat zij sedert 1973 geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt was. Bij beslissing van 31 mei 1978 heeft eiser die aanvraag afgewezen omdat gedaagde op 1 oktober 1976 niet arbeidsongeschikt werd geacht in de zin van de genoemde wet. Die beslissing is bij beschikking van 9 november 1978 van de voorzitter van de Raad van Beroep te Amsterdam vernietigd. In die beschikking is verstaan dat gedaagd Namens gedaagde is onder meer aangevoerd dat de bepalingen van de Wet invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen alsmede van haar uitvoeringsbesluiten, voorzover die tot gevolg hebben dat zij als gehuwde vrouw niet op dezelfde wijze als een gehuwde man aanspraak op een uitkering krachtens de AAW kan (blijven) doen gelden, een als discriminatoir aan te merken onderscheid naar geslacht inhouden en deswege in strijd zijn met door Nederland aangegane internationale verplichtingen. Daarbij wordt onder meer een beroep gedaan op artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, gesloten te New York op 19 december 1966, goedgekeurd bij Rijkswet van 24 november 1978, Stb. 624 en voor Nederland in werking getreden op 11 maart 1979 (BP-Verdrag). Dienaangaande moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de bedoelde nationale bepalingen, voorzover zij deel uitmaken van een wet in formele zin, gelet op de in de Grondwet verankerde onschendbaarheid van de wet door de rechter niet kunnen worden getoetst, behoudens de eveneens in de Grondwet vastgelegde taak van de rechter om te beoordelen of de toepassing van een nationale wetsbepaling verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van overeenkomsten met andere mogendheden of met volkenrechtelijke organisaties dan wel met een ieder verbindende bepalingen van volkenrechtelijke organisaties. Ten aanzien van de betekenis welke in dit verband aan artikel 26 van het BP-Verdrag moet worden toegekend, overweegt de Raad het volgende. Genoemd artikel luidt als volgt: "Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status." Artikel 2, eerste lid, van dit verdrag bevat eveneens een non-discriminatiebepaling, luidende als volgt: "Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich de in dit Verdrag erkende rechten te eerbiedigen en deze aan een ieder die binnen zijn grondgebied verblijft en aan zijn rechtsmacht is onderworpen te verzekeren, zonder onderscheid van welke aard dan ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, welstand, geboorte of enige andere omstandigheid." Uit de bewoordingen van deze beide artikelen, bezien in onderling verband, blijkt dat artikel 26 niet slechts van toepassing is op de burgerrechten en politieke rechten welke door het BP-Verdrag worden erkend. De Raad deelt de opvatting dat artikel 26, inhoudende de gelijkheid van allen voor de wet en de aanspraak op gelijke bescherming door de wet zonder discriminatie, een zelfstandig materieel recht bevat en dat dit artikel -anders dan de Raad in eerdere uitspraken als zijn oordeel te kennen gaf-ook van betekenis is voor een sociaal zekerheidsrecht als hier in geding. Daaraan staat het bepaalde in het tegelijk met dit verdrag tot stand gekomen Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten, dat bij dezelfde Rijkswet is goedgekeurd en voor Nederland op dezelfde dag in werking is getreden, (E5C-Verdrag), en met name het in artikel 2, tweede lid, artikel 3 en artikel 9 van dit verdrag bepaalde niet in de weg. Immers, niet uit het oog mag worden verloren dat artikel 26 van het BP-Verdrag voor de verdragsluitende partijen weliswaar geen verplichting inhoudt om de in het ESC-Verdrag erkende rechten als zodanig op nationaal niveau (nader) gestalte te geven, doch wel de plicht omvat om voorzover zulks (ook op het gebied van de sociale zekerheid) is geschied, de wetgeving of andere uitvoeringsmaatregelen door middel waarvan dit heeft plaatsgevonden, met het in dat artikel bepaalde in overeenstemming te doen z