Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1980-09-11
ECLI:NL:CRVB:1980:AM5745
CENTRALE RAAD VAN BEROEP Datum uitspraak: 11-09-1980 Zaaknummer : ABPW 1979/50 Partij(en) De Raad van toezicht van het ABPF, eiser, tegen [gedaagde] wonende te [woonplaats], gedaagde. Uitspraak I. Ontstaan en loop van het geding. Bij brief van 22 juni 1978 met als onderwerp: Inlichtingen, heeft de directie van het ABPF aan gedaagde ten antwoord op diens op 6 juni 1978 ingekomen brief o.m. het volgende medegedeeld: ‘Voorzover wij aan de hand van de ons thans ten dienste staande gegevens kunnen nagaan, kon u op 1 okt. 1963 — datum van ingang van uw ontslag bij het Staatsbedrijf der Posterijen Telegrafie en Telefonie — een voor pensioengeldige diensttijd aanwijzen van in totaal 16 jaren, 2 maanden en 1 dag, te weten: a. militaire dienst, onder de wapenen doorgebracht, van 8 sept. 1948 tot 15 mei 1951. In tegenstelling tot de eerder aan u verstrekte opgave telt hiervan de periode van 11 okt. 1949 tot 27 dec. 1949 (is datum van de Soevereiniteitsoverdracht) dubbel b. burgerlijke overheidsdienst van 16 okt. 1947 tot 1 okt. 1963. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt, dat diensttijd gelijktijdig doorgebracht in een of meer betrekkingen, dus paralleltijd, bij de beoordeling van de voor pensioengeldige dienstjaren slechts eenmaal in aanmerking wordt genomen. Uit hoofde van het in de tweede alinea genoemd ontslag hebt u krachtens de bepalingen van de ABPW uitzicht verkregen op ambtenaren(ouderdoms)-pensioen ten laste van ons fonds, welk uitzicht bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar overgaat in het recht op zodanig pensioen..’ Een op 4 juli 1978 bij het ABPF ingekomen brief van gedaagde leidt na verdere correspondentie met evengenoemde directie ten slotte tot de volgende, onder dagtekening 11 jan. 1979 aan gedaagde verzonden beslissing van eiser: ‘1. Uw schrijven d.d. 4 juli 1978 moet worden gezien als een verzoek als bedoeld in art. S1 eerste lid ABPW om te beslissen op uw bezwaar tegen het schrijven van de directie van het ABPF d.d. 22 juni 1978, afdeling JZ/W en W, nummer 33781095, welk schrijven gezien de inhoud daarvan moet worden aangemerkt als een beslissing van de directie, waarbij u een opgave is verstrekt van uw voor pensioen ten laste van het ABPF in aanmerking komende diensttijd als bedoeld in art. T4 lid 1 ABPW. Uw bezwaar is gericht hiertegen dat bij de bestreden beslissing de tijd door u na de Soevereiniteitsoverdracht — 27 dec. 1949 — doorgebracht in de Republiek Indonesie, niet voor dubbeltelling in aanmerking wordt gebracht. 2. Ingevolge art. T4 eerste lid sub a ABPW dient de vraag in hoeverre uw militaire diensttijd in Indonesie doorgebracht voor dubbeltelling in aanmerking komt, te worden getoetst aan de bepalingen van de Pensioenwet 1922 en wel aan art. 58 eerste lid sub a van die wet. Dit artikel bepaalt dat als diensttijd dubbel wordt medegeteld, de tijd, niet met verlof, in de kolonien en bezittingen van het Rijk in andere werelddelen doorgebracht. 3. De tijd door u na de Soevereiniteitsoverdracht aan Indonesie per 27 dec. 1949 aldaar doorgebracht, voldoet niet aan de voorwaarden, gesteld in het hiervoor aangehaalde art. 58 eerste lid sub a, aangezien die tijd niet is doorgebracht in de kolonien of bezittingen van het Rijk in andere werelddelen. 4. Uit het aan u toegezonden schrijven van 19 maart 1952, exp. nummer 18469, blijkt duidelijk, dat de voormalige Pensioenraad ten aanzien van de geldigheid voor pensioen van de in dat schrijven genoemde diensttijd geen beslissing heeft genomen, maar slechts inlichtingen volgens de toen geldende opvattingen heeft verstrekt. 5. De Raad acht de door de directie genomen beslissing juist en in overeenstemming met de desbetreffende wettelijke bepalingen, zodat uw bezwaar ongegrond wordt bevonden.’ Het Ambtenarengerecht te 'sGravenhage heeft bij uitspraak van 19 juni 1979 — waarnaar hierbij wordt verwezen — het beroep dat gedaagde tegen evenweergegeven beslissing van eiser heeft ingesteld, gegrond verklaard, die bestreden beslissing, alsmede de beslissing van de directie Het was geen ‘voor beroep vatbare’ beslissing, waarbij in de relatie tussen de Pensioenraad en betrokkene onomstotelijk en onherroepelijk is vastgelegd dat bij pensioenverlening de onderwerpelijke diensttijd voor dubbeltelling in aanmerking zal komen. 3. In de brief van 19 maart 1952 staat onder ‘onderwerp’ vermeld: ‘Inlichtingen, enz.’. Wij menen dat betrokkene gelet op dit punt, ten aanzien van de inhoud van de brief wel enige reserve in acht had dienen te nemen. Met name geldt dit naar onze mening omdat betrokkene uit de hem toegezonden minuut van de brief niet kon blijken wat onder ‘Inlichtingen enz.’ exact moest worden begrepen. ‘4. Het bepaalde in art. 58 lid 1 letter a Pensioenwet 1922 (Stb. 240) geeft ten aanzien van het al dan niet dubbel meetellen van diensttijd geen beleidsvrijheid. In beginsel zijn wij gehouden dat voorschrift op de juiste wijze toe te passen. Wil men met een beroep op het beginsel dat bij betrokkene verwachtingen zijn gewekt, die redelijkerwijs gehonoreerd behoren te worden meer diensttijd dubbeltellen dan waartoe de wetsbepaling verplicht, dan moeten daarvoor naar onze mening zwaarder wegende motieven aanwezig zijn dan i.c. het geval is. 5. Indien bij de toekenning van een pensioen diensttijd als thans in geding dubbel met pensioen zou worden vergolden, dan zou de directie, behoudens — na verloop van 5 jaren — het bepaalde in art. S3 lid 7 verplicht zijn de beslissing ter zake te herstellen. Het komt ons daarom vreemd voor dat in i.c., waar slechts sprake is van inlichtingen omtrent de medetelling van diensttijd, de verplichting zou zijn ontstaan die onjuist gebleken inlichtingen toch te honoreren. Dit geldt te meer nu aan betrokkene toch geruime tijd voor zijn pensionering de onjuistheid van de verstrekte inlichtingen is meegedeeld. Wij hebben er begrip voor dat de belanghebbende een dergelijke mededeling als teleurstellend ervaart. Dit kan evenwel op zichzelf naar ons inzicht niet voldoende grond opleveren om een afwijking toe te staan van een dwingende wetsbepaling..’ De Raad heeft zich niet aan de zijde van eiser in diens aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende en in het aanvullend beroepschrift nader belichte zienswijze kunnen scharen en heeft daaromtrent het volgende overwogen. In het verleden heeft de toenmalige Pensioenraad — in het beroepschrift wordt dit ook in herinnering gebracht — geruime tijd het standpunt ingenomen dat de diensttijd van een ambtenaar, welke na de souvereiniteitsoverdracht in overheidsdienst in Indonesie werd vervuld en die onmiddellijk aansloot op en een voortzetting vormde van voor de souvereiniteitsoverdracht in overheidsdienst in het voormalige Nederlands-Indie aangevangen diensttijd, geacht moest worden te zijn doorgebracht in een betrekking als bedoeld in art. 56 eerste lid onder c punt d Pensioenwet 1922, voor zolang aan de betrekking waarin de tijd was doorgebracht, aanspraak op pensioen verbonden is gebleven krachtens de regeling, welke ter zake gold op de dag voorafgaande aan die van de souvereiniteitsoverdracht en zodanige tijd ingevolge meergenoemd artikel geldig is voor pensioen krachtens de Pensioenwet 1922, voor zover de tijd als diensttijd zou meetellen, indien aan de belanghebbende krachtens evenbedoelde regeling pensioen werd toegekend. In dezelfde geest heeft de toenmalige Pensioenraad zijn standpunt bepaald ten aanzien van de dubbeltelling naar de regel van art. 58 eerste lid onder a Pensioenwet 1922. Mede naar aanleiding van de jurisprudentie die deze Raad had ontwikkeld, heeft de toenmalige Pensioenraad de hiervoor weergegeven zienswijze prijsgegeven en is hij het standpunt — voor zover hier van belang — gaan innemen dat in Indonesie na 27 dec. 1949 doorgebrachte diensttijd, wanneer deze geldig is voor pensioen ten laste van het ABPF, niet voor dubbeltelling op grond van art. 58 eerste lid onder a Pensioenwet 1922 in aanmerking komt. De Raad acht niet gebleken dat de bestreden beslissing op zichzelf beschouwd, in het licht van bedoel