Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1980-10-23
ECLI:NL:CRVB:1980:AM5651
APPA1979/4 Centrale Raad van Beroep Uitspraakdatum 23 oktober 1980 Partij(en) [H.], wonende te [G.], klager, tegen het College van B. en W. der gem. G., verweerder. Uitspraak I. Ontstaan en loop van het geding. Verweerder heeft bij brief van 11 juli 1979 aan klager onder meer het volgende bericht: ‘Bijgaand doen wij U toekomen drie exemplaren van het besluit van de raad van deze gemeente van 31 mei j.l. tot 4e wijziging van de Uitkerings‑ en Pensioenverordening wethouders van G., welk besluit door GS van Limburg is goedgekeurd bij hun besluit van 26 juni 1979, no. Bi 15657. Naar aanleiding van het bovenstaande delen wij U mede, dat wij de U toegekende uitkering met ingang van 1 juli 1981 zullen beeindigen. Volgens art. 62 Uitkerings‑ en Pensioenverordening wethouders G. staat van de beslissingen ter uitvoering van deze verordening ingevolge art. 162 Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers beroep open op de CRvB te Utrecht overeenkomstig de bepalingen van de Beroepswet..’ Tegen de in deze brief vervatte beslissing is J. Bogaert, werkzaam bij het kantoor Heerlen van de Rechtskundige dienst F.N.V., als gemachtigde van klager bij de Raad in beroep gekomen. In een aanvullend klaagschrift (met bijlagen) heeft Mr A. F. Th. Grul, advocaat en procureur te Maastricht, als gemachtigde van klager de redenen uiteengezet, waarom klager zich tot de Raad wendt met het verzoek het bestreden besluit nietig te verklaren, althans voor recht te verklaren dat het bestreden besluit niet geldt ten aanzien van klager, althans te beslissen zoals de Raad zal vermenen te behoren. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 25 sept. 1980. Aldaar is als gemachtigde van klager verschenen Mr A. F. Th. Grul voornoemd en heeft verweerder zich niet doen vertegenwoordigen. II. Motivering. Klager, die is geboren op 10 febr. 1922, is in 1958 tot wethouder van de gem. G. benoemd. Na drie zittingsperioden heeft hij in september 1970 zijn wethouderschap een einde zien nemen. Op grond van de door de gemeenteraad van G. op 20 maart 1969 vastgestelde Uitkerings‑ en Pensioenverordening Wethouders 1969 is aan klager ingaande de dag van aftreding een uitkering toegekend. Evengenoemde verordening is bij raadsbesluit van 9 dec. 1971 met ingang van 1 jan. 1972 vervangen door de Uitkerings‑ en pensioenverordening wethouders G. — hierna te noemen: de Verordening —, die bij besluit van GS van Limburg van 10 jan. 1972 is goedgekeurd. De uitkering is aan klager toegekend voor de maximale duur van zes jaren. Na ommekomst van deze termijn is de uitkering aan klager voortgezet op grond van het bij raadsbesluit van 23 dec. 1974, houdende tweede wijziging van de Verordening ingevoegde art. 2a, waarvan het tweede lid bepaalt dat voor voortzetting van de uitkering zonder nadere beslissing van de raad in aanmerking komt de gewezen wethouder die op de dag waarop het genot van de uitkering zou eindigen, invalide is; volgens het vierde lid is invalide in evenbedoelde zin hij die voor 50 percent of meer algemeen invalide is naar de vervolgens gegeven definitie van algemene invaliditeit. Blijkens de gedingstukken is klager sedert 1960 volledig invalide als gevolg van een als ondergronds mijnwerker opgelopen ziekte. In de vierde wijziging van de Verordening, vastgesteld op 31 mei 1979, heeft de gemeenteraad van G. gestalte gegeven aan zijn wens dat de maximale duur voor het genot van uitkering door een gewezen wethouder twee jaar zou zijn en dat voor gewezen wethouders die op de dag voor de inwerkingtreding van de wijzigingsverordening (1 juli 1979) in het genot van een uitkering waren, de uitkering in elk geval zou eindigen met het verstrijken van twee jaar na 1 juli 1979. Voor dit geding is van belang art. III wijzigingsverordening bepalende, dat art. 2a met ingang van 1 juli 1981 vervalt, alsmede de in art. IV neergelegde overgangsbepaling ten aanzien van uitkering ontvangende gewezen wethouders. Na goedkeuring van de vierde wijziging der Verordening bij besluit van GS van Limburg van