Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1979-12-14
ECLI:NL:CRVB:1979:BB8238
CENTRALE RAAD VAN BEROEP AW 1978/B 98 Uitspraak In het geding tussen: de minister van Verkeer en Waterstaat als vertegenwoordiger van Hare Majesteit de Koningin, eiser en [gedaagde], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING. Bij Koninklijk besluit van 29 September 1977 is op voordracht van eiser aan gedaagde, die sedert 1950 werkzaam was bij de Rijksluchtvaartschool en daar sedert 1 maart 1960 de functie van hoofd van de Vliegdienst vervulde, met toepassing van artikel 98, lid 1 onder g van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (A.R.A.R.) per 1 januari 1978 eervol ontslag verleend. Bij zijn uitspraak van 19 oktober 1978 heeft het Ambtenarengerecht te Groningen het namens gedaagde (toen klager) ingestelde beroep, voor zover dit was gericht tegen evengenoemd besluit, gegrond verklaard, dit besluit nietig verklaard en het beroep voor het overige niet-ontvankelijk verklaard. Vanwege eiser is tegen deze uitspraak op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld. Namens gedaagde is van contra-memorie gediend. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 23 november 1979, waar voor eiser is opgetreden Mr. W. Droogleever Fortuijn, advocaat te ' s-Gravenhage en waar gedaagde is verschenen in persoon, bijgestaan door Mr. S.L. Buruma, eveneens advocaat te ' s-Gravenhage II. MOTIVERING Voor wat betreft de in dit geding relevante feiten en met name hetgeen zich sedert begin 1973 met betrekking tot een aan gedaagde te verlenen ontslag heeft voorgedaan verwijst de Raad - voor zover een en ander niet in 's Raads uitspraak zal worden vermeld en besproken - naar het in rubriek I van de aangevallen uitspraak gestelde. Het ontslagbesluit is tot stand gekomen op voordracht van eiser. Met betrekking tot deze voordracht en hetgeen daaraan is voorafgegaan overweegt de Raad het volgende: Toen eiser tot de conclusie was gekomen dat gedaagde niet langer als hoofd van de Vliegdienst van de Rijksluchtvaartschool kon worden gehandhaafd heeft hij aan de Minister-President verzocht om aan Hare Majesteit de Koningin een voordracht tot ontslag als bedoeld in artikel 99 A.R.A.R, te doen. Dit verzoek - waaraan overleg tussen eisers ministerie en het Kabinet van de Minister-President voorafging - was vervat in een uitvoerig schrijven van eiser d.d. 2 november 1973, waarin deze het verzoek baseerde op een disfunctioneren van gedaagde in de top van de Rijksluchtvaartschool en voorts onder meer stelde dat ontslag wegens ongeschiktheid (artikel 98, lid 1 onder g A.R.A.R.) in dit geval niet ge?igend was. De Minister-President verklaarde zich bij schrijven van 14 november 1973, onder opmerking dat zijnerzijds begrip was ontstaan voor eisers opvatting als evenvermeld, in beginsel bereid mede te werken aan een ontslagverlening met toepassing van artikel 99 A.R.A.R., echter op voorwaarde dat gedaagde schriftelijk verklaarde zich te zullen neerleggen bij een zodanig ontslag en eveneens bij een - als uiterste grens bestempelde - uitkering tot de pensioengerechtigde leeftijd op grond van de bepalingen van het Rijkswachtgeldbesluit, welke niet lager zou zijn dan 80% van de laatstelijk genoten wedde. Daaraan werd toegevoegd dat indien gedaagde die verklaring niet afgaf de Minister-President zich genoodzaakt zag zich over de mogelijkheden van toepassing van artikel 99 A.R.A.R. tevoren te laten adviseren door een commissie ad hoc. De Raad merkt op dat hij de hier gevolgde redenering en toegepaste constructie (akkoord met een ontslag ex artikel 99 A.R.A.R. mits gedaagde integraal bewilligt; zo niet dan eerst een advies van een commissie ad hoc) niet als zuiver kan aanmerken. Hetgeen te dien aanzien ter zitting is opgemerkt kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden. Gedaagde verklaarde hierop jegens eiser wel bereid te zijn een ontslag ex artikel 99 A.R.A.R. te aanvaarden, doch niet akkoord te kunnen gaan met de door de Minister-President genoemde maximale hoogte van de hem toe te kennen uitkering. De Minister-President vond hierin - De reactie van de Commissie-Meyes op deze brief - te weten dat voor een onderzoek door de commissie elk aanknopingspunt ontbrak nu eiser een ongeschiktheid, waarover de commissie zou moeten adviseren, uitdrukkelijk niet stelde - acht de Raad dan ook volstrekt begrijpelijk en juist. Het zich in het kader van zijn eigen verantwoordelijkheid tot die commissie wenden van eiser merkt de Raad daarentegen als onjuist althans onzuiver aan. Eveneens onzuiver acht de Raad de achtergrond van het zich ten tweede male tot de Commissie-Meyes wenden door eiser. Dit geschiedde nadat de Minister-President eiser te kennen had gegeven hoe diens eerste brief aan de commissie eigenlijk gelezen diende te worden (een inhoud welke de Raad daarin niet vermag te onderkennen) alsmede dat hij (de Minister-President) geen verdere stappen zou ondernemen zolang de Commissie-Meyes niet over gedaagdes ongeschiktheid had geadviseerd. De tweede brief van eiser aan' de commissie was weliswaar genuanceerder dan de eerste, doch gaf er qua inhoud en strekking evenmin blijk van dat eiser overwoog gedaagde op grond van artikel 98, lid 1 onder g A.R.A.R. ontslag te verlenen en daarvoor voldoende gronden meende te hebben, Desondanks voldeed de Commissie-Meyes nu wel aan eisers verzoek om advies, hetgeen de Raad in het licht van het voorgaande wederom niet als zuiver kan aanmerken. De commissie achtte voldoende grond aanwezig voor een ontslag met toepassing van artikel 98, lid 1 onder g A.R.A.R. (dus wegens ongeschiktheid). Ten aanzien van dit advies merkt de Raad op dat de commissie daarbij (alsnog) voor een belangrijk deel zelf concrete feiten, die haar oordeel moesten steunen heeft moeten aandragen. Wellicht mede als gevolg hiervan kan de Raad de feitelijke onderbouwing van de conclusie, waartoe de commissie is gekomen, niet als zo overtuigend aanmerken dat de juistheid van het advies voor hem buiten twijfel staat. Dit laatste is in dit geding van groot belang. Na ontvangst van het advies van de Commissie-Meyes heeft eiser gedaagde namelijk bij Hare Majesteit de Koningin voorgedragen voor ontslag wegens ongeschiktheid in de zin van artikel 98, lid 1 onder g A.R.A.R. Deze voordracht baseerde hij uitsluitend op genoemd advies. Naar 's Raads oordeel biedt dit advies daartoe echter te weinig basis en met name te weinig duidelijk vaststaande feitelijke grondslag. Daarbij neemt de Raad in aanmerking het feit dat de bezwaren tegen gedaagdes functioneren, gelet op de duur van zijn dienstverband, eerst van vrij recente datum waren; dat gedaagdes functioneren zeker niet in alle opzichten negatief werd beoordeeld; dat op een aantal punten sprake is van tegenstrijdigheden dat de juistheid van enige andere punten naar 's Raads oordeel onvoldoende is onderzocht en dat de verklaringen van althans enige door de commissie gehoorde personen vanwege hun betrokkenheid in deze zaak critisch dienen te worden bezien, althans critischer dan de commissie kennelijk heeft gedaan. Opvallend acht de Raad in verband met het vorenstaande dat blijkens het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van de eerste rechter de gemachtigde van eiser aldaar heeft verklaard dat eiser met de gang van zaken niet erg gelukkig was; dat aan de zijde van eiser de elementen van ongeschiktheid niet zo zwaar werden gezien en dat eiser, eigenlijk tegen zijn zin, niet anders kon dan het advies van de Commissie-Meyes opvolgen. Ter zitting van de Raad is vanwege eiser nader toegelicht hoe evenvermelde opmerkingen zouden moeten worden verstaan. Dienaangaande merkt de Raad op dat - wat van die toelichting overigens zij - deze in ieder geval onverlet laat de omstandigheid dat eiser, vanuit een door hem (en door de Raad) niet onderschreven opvatting over artikel 99 A.R.A.R. kennelijk tegen zijn wil en overtuiging op het spoor van een ongeschiktheidsontslag gezet, dit ontslag uitsluitend baseerde op het advies van de Commissie-Meyes; een advies dat hiertoe naar 's Raads oordeel onvoldoende basis bood. Gelet op al hetgee