Rechtspraak Centrale Raad van Beroep 1977-05-17
ECLI:NL:CRVB:1977:BY1474
De Centrale Raad van Beroep (mrs. Van der Meide, Grosheide, Van der Velden) Uitspraak in het geding tussen B.M. R. te W., eiser, en de BV voor de Bouwnijverheid, gedaagde I. Ontstaan en loop van het geding Bij brief van 23 mei 1975 heeft gedaagde aan eiser de volgende beslissing doen toekomen: “Het Bestuur van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid: Gezien een brief d.d. 10 september 1974 van de Bouw- en Houtbond NKV blijkens welke B.M. R., K.weg … te W., in aanmerking wenst te komen voor uitkering ingevolge de WAO; Gezien de rapporten en verdere gegevens; Overwegende dat betrokkene van mei 1969 tot en met 19 november 1971 als timmerman werkte bij de Gebr. R. te W., als werkgever van rechtswege aangesloten bij de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid; Overwegende dat betrokkene van 22 november 1971 tot en met 1 juni 1972 over de maximum termijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid ; Overwegende dat betrokkene niet vanaf enig tijdstip vóór 2 juni 1972 bij voortduring arbeidsongeschikt gebleven is (hij ontving laatstelijk van 16 september 1971 tot en met 8 oktober 1981 uitkering ingevolge de Ziektewet wegens een geïnfecteerde vinger, en werd met ingang van 11 oktober 1971 weer geschikt verklaard. Overwegende dat betrokkene op en na 2 juni 1972 geen arbeid in dienstverband meer verrichtte en dat voor hem, nu hij ook niet op andere gronden krachtens de Ziektewet en krachtens de WAO verzekerd was, de verzekering krachtens die wetten met ingang van 2 juni 1972 een einde nam, zodat zijn recht op ziekengelduitkering en/of uitkering krachtens de WAO getoetst moet worden aan het bepaalde in artikel 46 van de Ziektewet respectievelijk artikel 17 van de WAO; Overwegende dat betrokkene niet binnen één van de termijnen, genoemd in artikel 46 van de Ziektewet en in artikel 17 van de WAO, arbeidsongeschikt is geworden, zodat hij geen recht heeft op ziekengelduitkering en/of uitkering ingevolgde de WAO; Gelet op het bepaalde in de artikelen 19, 46, 73 en 73a van de Ziektewet, en de artikelen 16,17, 87 en 88 van de WAO; Beslist dat B.M. R. geen recht heeft op uitkering ingevolge de Ziektewet en ingevolge de WAO.” De Raad van Beroep te Arnhem heeft eisers beroep tegen die beslissing ongegrond verklaard, zulks bij uitspraak van 22 april 1976. Eiser is van die uitspraak bij de Raad in hoger beroep gekomen. Het geding is behandeld ter terechtzitting van 19 april 1977. Voor eiser is daar verschenen zijn gemachtigde Mr. J.C.M.J. V., juridisch medewerkster van de Nederlandse Katholieke Bond voor de Bouw en Houtnijverheid. Gedaagde werd op die terechtzitting vertegenwoordigd door Mr. H.A.G. Ra., werkzaam bij het Gemeenschappelijk Administratiekantoor. II. Motivering Eiser, geboren 6 september 1914, is van mei 1969 tot en met 19 november 1971 als timmerman werkzaam geweest bij de firma Gebrs. R. te W., een door twee zoons van eiser opgericht timmerbedrijf. Van 22 november 1971 tot en met 1 juni 1982 heeft eiser vervolgens gedurende de maximumtermijn een uitkering krachtens de Werkloosheidswet genoten. Niet gebleken is, dat eiser nadien nog arbeid heeft verricht in een verhouding op grond waarvan hij verzekerd was ingevolge de Ziektewet, Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en Werkloosheidswet. Bij brief van 10 september 1974 is door J.Ri., distriktsbestuurder Nederlandse Katholieke Bond voor de Bouw- en Houtnijverheid (N.K.V.) voor eiser een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering aangevraagd aangezien eiser reeds in 1971 bij zijn huisarts zou zijn gekomen ter behandeling van een kwaal, waarvan in een later stadium zou zijn vastgesteld dat het een hartafwijking betreft. Op 7 oktober 1974 heeft eiser zich weer bij het Gewestelijk Arbeidsbureau te Doetinchem laten inschrijven. Bij brief van 23 mei 1975 heeft gedaagde aan eiser de onder I vermelde beslissing doen toekomen. Deze beslissing houdt, zoals bleek, in dat gedaagde van oordeel is dat eiser noc