Rechtspraak 2017-11-22
ECLI:NL:CG:2017:3
CENTRALE GRONDKAMER Datum: 22 november 2017 Dossiernummer: GP 11.778 Beschikking in de zaak van: Landbank B.V., gevestigd te 3371 EE Hardinxveld-Giessendam, Rivierdijk 636, -hierna te noemen: verpachtster- gemachtigde: B.A. de Ruijter, werkzaam bij verpachtster, -tegen- [naam BV] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], [adres], -hierna te noemen: pachtster-. Het geding in eerste aanleg De grondkamer Zuid heeft bij beschikking van 17 maart 2017, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 24 maart 2017, met betrekking tot de op 7 juni 2016 bij haar ter goedkeuring ingezonden pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:397, lid 1 BW tussen partijen met betrekking tot het perceel grasland, kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Noord-Brabant], [kadastrale aanduiding], groot 1.00.15 ha, zulks voor de duur van 5 jaar en 11 maanden, ingaande 1 januari 2016 en eindigende 30 november 2021, als volgt beslist: “De overeenkomst wordt gewijzigd in die zin dat de bijzondere voorwaarde, luidende: “Als de bestemming van het gepachte wijzigt of het gepachte wordt verkocht, wordt de pachtovereenkomst beëindigd.” wordt geschrapt. De aldus gewijzigde overeenkomst wordt goedgekeurd.” Voormelde beschikking is in fotokopie aan deze beschikking gehecht. Daarnaar wordt verwezen voor de procesgang in eerste aanleg en de bij de beschikking gegeven motivering. Het geding in hoger beroep Verpachtster is bij een op 19 april 2017 per gewone post ter griffie ingekomen beroepschrift in beroep gekomen van voormelde beschikking, met verzoek de ingezonden pachtovereenkomst alsnog ongewijzigd goed te keuren. Voorts heeft verpachtster bezwaar tegen het griffierecht dat in verband met de behandeling van het beroepschrift door de Centrale Grondkamer wordt geheven. Pachtster heeft hiertegen geen verweer gevoerd. De grieven Verpachtster heeft aangevoerd dat pachtster heeft ingestemd met de bijzondere voorwaarde dat bij wijziging van de bestemming de pachtovereenkomst voortijdig zal worden beëindigd. Het gepachte betreft een ontwikkellocatie en de instemming van pachtster blijkt onder meer uit diens ondertekening van de overeenkomst. Voorts wenst verpachtster geen factuur te ontvangen voor de griffierechten. Zij maakt nu voor de tweede keer bezwaar voor hetzelfde punt en vindt het niet redelijk dat zij daarvoor nu griffierecht moet betalen. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 1. Uit de stukken, waaronder die in eerste aanleg, blijkt dat punt 5 van de door partijen gesloten pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 7:397, lid 1 BW als volgt luidt: “ 5. Bijzondere voorwaarden - Als de bestemming van het gepachte wijzigt of het gepachte wordt verkocht, wordt de pachtovereenkomst beëindigd.” 2. Blijkens de stukken, waaronder die in eerste aanleg, heeft de secretaris van de grondkamer Zuid bij brief van 9 december 2016 partijen het volgende meegedeeld: “De grondkamer is voorlopig van oordeel dat de overeenkomst niet ongewijzigd kan worden goedgekeurd. Zij stelt u voor de bijzondere voorwaarde, luidende (…), te schrappen, omdat ook voor een geliberaliseerde pachtovereenkomst geldt, dat deze een bepaalde duur dient te hebben en niet tussentijds éénzijdig - zonder tussenkomst van de pachtrechter- kan worden beëindigd in afwijking van de overeengekomen pachtduur als bedoeld in artikel 7:397, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek.” Vervolgens heeft de grondkamer blijkens zijn bestreden beschikking overwogen dat hij van oordeel is dat een dergelijk beding niet past in het wettelijk systeem dat geldt voor een geliberaliseerde pachtovereenkomst en dienovereenkomstig beslist. 3. De Centrale Grondkamer overweegt als volgt. Partijen hebben in de tussen hen gesloten geliberaliseerde pachtovereenkomst een tussentijds beëindigingsbeding opgenomen. In zijn beschikking van 16 januari 2012 GP 11.685 ([C/D], Agrarisch Recht 2012, 5682) en in zijn beschikking van 11 maart 2009, GP 11.594 [E/F] (Agrarisch Recht 2010, 5561) heeft de Centrale Grondkamer eerder beslist dat, g