Rechtspraak 1997-06-13
ECLI:NL:CG:1997:1
C E N T R A L E G R O N D K A M E R 13 juni 1997 Dossiernummer: GP 11.132 Beschikking in de zaak van: 1 [verpachter sub l] en 2 [verpachter sub 2], beiden wonende te [woonplaats] (gemeente [naam gemeente]), [adres], -hierna te noemen: verpachters-, gemachtigde: mr. A.L. Stegeman, advocaat te Roermond, -tegen- [pachter] , wonende te [woonplaats] (gemeente [naam gemeente]), [adres], -hierna te noemen: pachter-, gemachtigde: mr. F.L.M. Bouts, LLTB Adviesgroep te Roermond. Het geding in eerste aanleg De grondkamer voor Limburg heeft bij beschikking van 31 janua ri 1997, waarvan afschrift aan partijen is verzonden op 13 februari 1997, afgewezen het op 31 oktober 1996 bij haar ingekomen verzoek van verpachters om ingevolge artikel 9, lid 2, van de Pachtwet te bepalen dat de duur van de tussen hen en pachter bestaande, op 20 september 1996 aan de grondkamer ter goedkeuring ingezonden -bij vonnis de pachtkamer van het kantongerecht te Venlo van 19 september 1996 schriftelijk vastgelegde- pachtovereenkomst met betrekking tot de percelen weiland, kadastraal bekend gemeente [gemeente in de provincie Limburg], [kadastrale aanduidingen], tezamen groot 1.18.60 ha, is ingegaan op 1 maart 1986. De grondkamer heeft voormelde beschikking gegeven uit de navolgende overweging in hoofdzaak. Het zelf in gebruik willen nemen van het verpachte levert geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 9, lid 2, van de Pachtwet op, aangezien er geen verband bestaat tussen dit eigen gebruik en het niet nakomen van de verplichting tot tijdige inzending. Onbekendheid met de wettelijke bepalingen met betrekking tot pacht levert evenmin een bijzondere omstandigheid als bedoeld op. Dit had wellicht het geval kunnen zijn indien de vorige verpachter op goed verdedigbare gronden had mogen aannemen dat sprake was van een andere vorm van gebruik van de grond dan pacht, maar zulks is gesteld noch gebleken. Evenmin levert het feit dat in de meergenoemde koopop tie/transportakte met betrekking tot de grond is vermeld dat niet was verpacht, verhuurd of op grond van enige andere titel aan derden in gebruik is gegeven, een bijzondere omstandigheid op. Uit de stukken is voldoende vast komen te staan dat verpach ters wel op de hoogte waren van het gebruik van de grond door de pachter. Het feit dat pachter het gebruik van de grond niet als pacht heeft gekwalificeerd doet daarbij niet terzake. Het geding in hoger beroep Verpachters zijn bij een op 11 maart 1997 per faxbericht en op 12 maart 1997 per post ter griffie ingekomen beroepschrift in beroep gekomen tegen voormelde beschikking, met verzoek (lees) hun inleidend verzoek ex artikel 9, lid 2, van de Pachtwet alsnog te honoreren. Pachter heeft hiertegen verweer gevoerd bij een op 11 april 1997 ter griffie ingekomen verweerschrift, met verzoek ver pachters niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering, althans hen deze vordering als ongegrond en onbewezen te ontzeggen, althans deze vordering af te wijzen en overigens de beschikking, waarvan beroep, al dan niet met aanvulling van gronden, in stand te laten. Verpachters hebben bij een op 14 april 1997 ter griffie inge komen brief verzocht om een mondelinge behandeling. Verpachters hebben bij een per faxbericht op 21 mei 1997 en per post op 22 mei 1997 ter griffie ingekomen brief aan de Centrale Grondkamer verzocht om toestemming tot het medebren gen ter zitting van een tweetal concreet vermelde getuigen. Dit verzoek is per faxbericht van de griffier van 21 mei 1997 ingewilligd, zulks met de mededeling dat de Centrale Grondkamer ter zitting zal beslissen of zij aanleiding zal zien deze getuigen te horen. De _grieven Verpachters hebben aangevoerd dat de grondkamer ten onrechte hun inleidend verzoek heeft afgewezen; dat de grondkamer niet had behoeven te onderzoeken of er in casu sprake is van een bijzonder geval, aangezien beide partijen het er over eens zijn dat de pachtovereenkomst - zo daarvan sprake is - is ingegaan per 1 maart 1996; dat de grondkamer ten onre Ter zitting heeft verpachter sub 1 nog bestreden dat hij het land in geschil aan een derde te koop heeft aangeboden. Pachter heeft dit ter zitting betwist. Beoordeling van het geschil in hoger beroep 1. In geval van een door de pachtrechter schriftelijk vast gelegde pachtovereenkomst is de grondkamer, en in beroep de Centrale Grondkamer, gehouden uit te gaan van - en zich te beperken tot - hetgeen door de pachtrechter terzake van de pachtverhouding tussen partijen - onher roepelijk - schriftelijk is vastgelegd. Derhalve moet te dezen worden uitgegaan van 1 december 1986 als ingangsda tum van de onderhavige pachtovereenkomst. 2. Uit de stukken in eerste aanleg blijkt onweersproken dat voormelde pachtovereenkomst eerst op 20 september 1996 - derhalve met niet-inachtneming van de daartoe in artikel 8, lid 1, van de Pachtwet vermelde termijn - ter goedkeu ring bij de bevoegde grondkamer is ingezonden. De grond kamer heeft de gevraagde goedkeuring verleend bij haar - thans onherroepelijke - beschikking van 31 januari 1997. 3. Artikel 9, lid 1, van de Pachtwet regelt de rechtsgevol gen van de situatie dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8, lid 1, van de Pachtwet, zoals hiervoor is overwogen en bepaalt voor dat geval onder meer dat, indien de goedkeuring alsnog wordt verleend, de in arti kel 12 van de Pachtwet bedoelde duur ingaat bij de aan vang van het pachtjaar, volgende op dat, waarin de over eenkomst ter goedkeuring is ingezonden. Dit evenwel behoudens de eventuele toepassing van artikel 9, lid 2, van de Pachtwet. Verpachters hebben aangevoerd dat de pachter in de vast leggingsprocedure heeft ingestemd met vastlegging van 1 maart 1986 als ingangsdatum van de pachtovereenkomst. Daaruit kan echter nog niet worden afgeleid dat de pach ter met toepassing van artikel 9, lid 2, van de Pachtwet en met het ingaan van de wettelijke duur van de pacht per die datum heeft ingestemd, geheel in het midden gelaten wat het gevolg van zo'n instemming zou moeten zijn. 4. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 9, lid 2, Pachtwet moeten de omstandigheden ten tijde van het aangaan van de pachtovereenkomst worden bezien. Deze omstandigheden moeten het door verzoekers (verpachters) niet voldoen aan het bepaalde in artikel 8, lid 1, van de Pachtwet verschoonbaar maken. 5. Dienaangaande is de Centrale Grondkamer, mede gelet op de stukken en hetgeen ter zitting door c.q. namens verpach ters is aangevoerd, van oordeel dat in de gegeven omstan digheden geen sprake is van een bijzonder geval als vorenbedoeld. Immers, de wijze van totstandkoming van de onderhavige pachtovereenkomst is reeds hierom niet rele vant, omdat de pachtrechter -zoals reeds onder 1 is overwogen- voor de (Centrale) grondkamer bindend heeft beslist dat per 1 december 1986 de pachtovereenkomst is tot stand gekomen. De door verpachters aangevoerde om standigheden kunnen er niet aan afdoen dat het ervoor moet worden gehouden dat op die datum wilsovereenstemming over verpachting heeft bestaan. Van de zijde van verpach ters is, blijkens het overgelegde vonnis, zelfs geen tegenspraak tegen de vordering tot vastlegging gedaan. De omstandigheid dat verpachters ten tijde van de aankoop door hen van het land in geschil in de veronderstelling verkeerden dat het gebruik daarvan door pachter niet als pacht kon worden aangemerkt kan in het algemeen niet gelden als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 9, lid 2 van de Pachtwet. In het onderhavige geval zijn geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Het feit dat verpachters voormeld land hebben gekocht met de bedoeling dit zelf in gebruik te nemen leidt evenmin tot een ander oordeel. 6. Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de Centrale Grondkamer - evenals de grondkamer - het inleidend ver zoek te dezen van verpachters afwijst. Dit brengt mede dat ingevolge artikel 9, lid 1, van de Pacht