Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-10
ECLI:NL:CBB:2026:99
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/586 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [naam 1] , te [woonplaats] (gemachtigde: J. Bouwman) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. C.J.M. Daniels) Procesverloop Met het besluit van 24 januari 2024 heeft de minister de aanvraag van de maatschap om subsidie uit de Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) gedeeltelijk toegewezen en aan de maatschap een subsidie toegekend van maximaal € 438.010,57. Met het besluit van 6 juni 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap daartegen ongegrond verklaard. De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De maatschap heeft een nader stuk ingediend. De zitting was op 13 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van partijen en [naam 2] en [naam 3] namens de maatschap. Overwegingen Inleiding 1.1 De maatschap exploiteerde een biologische varkenshouderij. Op 5 juli 2023 heeft de maatschap subsidie op grond van de Lbv-plus aangevraagd voor de onomkeerbare sluiting van haar veehouderijlocatie. De minister heeft deze subsidieaanvraag gedeeltelijk goedgekeurd. Het maximale subsidiebedrag dat de minister heeft berekend, is lager dan het door de maatschap aangevraagde subsidiebedrag, omdat volgens de minister voor de (overdekte) uitloopruimtes van de stallen D1, D2, I en F geen vergoeding kan worden verstrekt. 1.2 In deze procedure gaat het om de vraag of de (overdekte) uitloopruimtes van de stallen als dierenverblijf of uitlopen moeten worden aangemerkt. Standpunt van de maatschap 2 De maatschap voert aan dat de afgekeurde oppervlakte van de stallen ten onrechte niet is meegenomen bij de subsidieberekening. Het gaat hier niet om een (overdekte) uitloop als bedoeld in artikel 1 van de Lbv-plus, maar om een buitendeel van de stal dat als dierenverblijf moet worden meegerekend. De wetgeving stelt als eis dat biologische varkens (dag en nacht) over 1,2 m2 per dier aan buitenruimte moeten beschikken. Het buitendeel van de stal moet dan ook worden gezien als (onderdeel van een) dierenverblijf, omdat zonder die ruimte geen biologische varkens mogen worden gehouden en geen Skal-certificaat wordt afgegeven. Daarnaast zijn alle voorzieningen, zoals een watervoorziening, mestroosters en mestopslag (kelder) in en onder het buitendeel van de stal aanwezig. Ook hieruit volgt dat het buitendeel van de stal moet worden meegerekend als dierenverblijf. De minister gaat bij zijn berekening uit van een standaardstal, maar een biologische varkensstal is volgens de maatschap – mede vanwege de andere wijze van mestopslag en de langere duur daarvan – niet vergelijkbaar met een standaardstal. Bovendien zijn de investeringen voor een biologische stal twee maal zo hoog als voor een reguliere stal. De maatschap wordt als biologische varkenshouder op deze manier minder gecompenseerd voor de investeringen die zij heeft gedaan. Tot slot wijst de maatschap erop dat de oppervlakte van een overdekte uitloop bij pluimvee (de zogenoemde wintergarten) wel wordt meegenomen in de berekening van het waardeverlies van de stallen. Standpunt van de minister 3 De minister handhaaft zijn standpunt dat hij de uitloopruimtes terecht niet heeft meegenomen bij de subsidieberekening, omdat de uitloopruimtes in dit geval niet behoren tot het dierenverblijf. In de definitiebepaling van artikel 1 van de Lbv-plus worden uitlopen die onderdeel uitmaken van het gebouw waar dieren worden gehouden, zoals hier aan de orde, uitgesloten. Volgens de minister is het inderdaad zo dat een Skal-certificering voor biologische varkenshouderijen een uitloopruimte vereist. Dit betekent evenwel niet dat deze uitloopruimtes alsnog als dierenverblijf moeten worden beschouwd, gelet op de tekst van de regeling. De Lbv-plus is een generieke regeling. Dit betekent dat geen