Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-10
ECLI:NL:CBB:2026:97
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 21/566 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen [naam 1] , te [vestigingsplaats 1] , waarvan de vennoten zijn [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] B.V., allen te [vestigingsplaats 1] ( [naam 1] ) (gemachtigde: mr. F.K. van den Akker) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. B.M. Kleijs) en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Procesverloop Met het besluit van 6 juni 2019 (dwangsombesluit) heeft de minister aan [naam 1] een last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van het Besluit houders van dieren (Bhd). Met het besluit van 12 mei 2020 (invorderingsbesluit) heeft de minister een bedrag van in totaal € 21.000,- aan dwangsommen bij [naam 1] ingevorderd. Met het besluit van 23 november 2020 (bestreden besluit) heeft de minister de bezwaren van [naam 1] tegen het dwangsombesluit en het invorderingsbesluit ongegrond verklaard. [naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden. [naam 1] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft het College de Staat in de procedure betrokken. De zitting was op 15 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] en [naam 3] , de gemachtigden van partijen en [naam 5] , inspecteur bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Overwegingen Inleiding 1.1 In de periode waar deze zaak over gaat, was [naam 1] varkenshouder. De varkenshouderij had twee bedrijfslocaties, aan de [adres 1] in [vestigingsplaats 1] en de [adres 2] in [vestigingsplaats 2] . Nadat op de twee bedrijfslocaties bij een controle op 11 februari 2019 overtredingen van het Bhd waren vastgesteld, heeft de minister een dwangsombesluit genomen. Vervolgens hebben op 23 september 2019 toezichthouders van de NVWA een hercontrole uitgevoerd en is er een invorderingsbesluit genomen, omdat [naam 1] de in het dwangsombesluit genoemde maatregelen onvoldoende had uitgevoerd. De minister heeft het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond verklaard. [naam 1] is het daar niet mee eens. Het College zet hierna eerst uiteen wat de toezichthouders tijdens de controles op 11 februari 2019 en 23 september 2019 hebben geconstateerd en waartoe deze constateringen hebben geleid. Vervolgens beoordeelt het College de aangevoerde beroepsgronden. Het College geeft [naam 1] grotendeels ongelijk. Alleen de invordering van een dwangsom voor één van de vijftien opgelegde maatregelen (maatregel 15) is onterecht. Het College legt hierna uit waarom. 1.2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Controle op 11 februari 2019, dwangsombesluit 2.1 Op 11 februari 2019 hebben zes toezichthouders van de NVWA, waaronder twee toezichthoudend dierenartsen, een (her)controle verricht op de twee bedrijfslocaties van de varkenshouderij van [naam 1] . De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in het rapport van bevindingen van 26 april 2019 (rapport van bevindingen 1). De toezichthoudend dierenartsen hebben hun bevindingen neergelegd in een veterinaire verklaring van 14 maart 2019. Omdat [naam 1] volgens de toezichthouders diverse overtredingen van het Bhd heeft begaan, heeft de minister het dwangsombesluit genomen. De minister heeft met het dwangsombesluit de volgende maatregelen aan [naam 1] opgelegd: 1. Zorg ervoor dat varkens permanent over voldoende materiaal beschikken om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt. Deze maatregel is opgelegd in verband met de geconstat Deze maatregel is opgelegd in verband met de geconstateerde overtreding van artikel 1.28, tweede lid, van het Bhd. 15. Zorg ervoor dat de luchtcirculatie, het stofgehalte van de lucht, de temperatuur, de relatieve luchtvochtigheid en de gasconcentraties in de omgeving van het dier niet schadelijk zijn voor het dier. Deze maatregel is opgelegd in verband met de geconstateerde overtreding van artikel 2.5, vierde lid, van het Bhd. 2.2 Uit het dwangsombesluit blijkt dat [naam 1] maatregel 1, 2, 3, 4, 8, 9, 10, 12, 14 en 15 vóór 1 juli 2019 moet nemen en in stand moet houden. Maatregel 5, 6, 7, 11 en 13 moet [naam 1] per direct nemen en in stand houden. Als tijdens een hercontrole blijkt dat [naam 1] dat niet heeft gedaan, verbeurt hij per controle een dwangsom van € 1.500,- per overtreding per maatregel, tot een maximumbedrag van € 4.500,- per overtreding van elk van de vijftien maatregelen. De minister heeft een termijn van één jaar aan de last onder dwangsom verbonden. Controle op 23 september 2019, invorderingsbesluit 3 Op 23 september 2019 hebben zes toezichthouders van de NVWA, waaronder twee toezichthoudend dierenartsen, een hercontrole verricht op de twee bedrijfslocaties van [naam 1] . De toezichthouders hebben hun bevindingen bij deze controle neergelegd in een rapport van bevindingen van 6 december 2019 (rapport van bevindingen 2). De toezichthoudend dierenartsen hebben hun bevindingen neergelegd in een veterinaire verklaring van 29 oktober 2019. Naar aanleiding van deze bevindingen heeft de minister met het invorderingsbesluit een verbeurde dwangsom ingevorderd van in totaal € 21.000,-. De reden daarvoor is dat [naam 1] de in de last onder dwangsom genoemde maatregelen 1, 2 en 4 tot en met 15 niet of niet voldoende heeft uitgevoerd. In het rapport van bevindingen 2 is geconstateerd dat op het moment van de hercontrole op de bedrijfslocatie aan de [adres 2] in [vestigingsplaats 2] geen varkens meer werden gehouden. De bevindingen van de toezichthouders in het rapport van bevindingen 2 zien dus alleen op de bedrijfslocatie aan de [adres 1] in [vestigingsplaats 1] . Beoordeling door het College De minister heeft ten onrechte geen verslag van de hoorzitting in bezwaar gemaakt 4.1 [naam 1] heeft aangevoerd dat de minister in het bestreden besluit niet heeft gereageerd op de toelichting op de bezwaargronden die tijdens de hoorzitting naar voren is gebracht. Het College heeft de minister voorafgaand aan de zitting verzocht het verslag van de hoorzitting toe te zenden. In antwoord op dat verzoek heeft de minister het College laten weten dat geen verslag van de hoorzitting is opgemaakt. Volgens de minister is hij in het bestreden besluit ingegaan op dat wat [naam 1] tijdens de hoorzitting naar voren heeft gebracht. [naam 1] betwist dat. Omdat er geen verslag van de hoorzitting is opgemaakt, kan het College dit niet beoordelen. Door geen verslag van de hoorzitting op te maken, heeft de minister in strijd met artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld. 4.2 Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb voorbij te gaan aan dit gebrek. [naam 1] heeft in beroep de gelegenheid gehad haar standpunten, waaronder de standpunten die volgens haar in het bestreden besluit onbesproken zijn gebleven, nader toe te lichten en te onderbouwen. Zij is daarom inhoudelijk noch processueel benadeeld door de schending van artikel 7:7 van de Awb. Het dwangsombesluit is niet in strijd met het vertrouwensbeginsel 5.1.1 [naam 1] heeft aangevoerd dat het dwangsombesluit in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Op 4 juli 2018 heeft de minister, nadat bij eerdere controles overtredingen van het Bhd zijn vastgesteld, het voornemen geuit om een last onder dwangsom op te leggen. 5.1.2 [naam 1] en de minister hebben vervolgens op 31 augustus 2018 afgesproken dat in onderling overleg een plan van aanpak zou worden opgesteld waarmee de gesignaleerde problemen op de bedrijven van [naam 1] zouden kunnen worden opgelost. Worden die bevindingen betwist, dan dient te worden onderzocht of er grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding(en) ten grondslag kunnen worden gelegd. In dit geval zijn de door de toezichthouders gedane bevindingen in het rapport van bevindingen en de veterinaire verklaring uitgebreid weergegeven en gestaafd met foto’s en video-opnamen. Maatregel 1 7.2.1 Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 1 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd. 7.2.2 Artikel 2.22, eerste lid, van het Bhd, schrijft voor dat varkens permanent beschikken over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen, bestaande uit stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan, of ander geschikt materiaal, voor zover de gezondheid van de dieren daardoor niet in gevaar komt. 7.2.3 In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat in verschillende stallen en afdelingen weliswaar hokverrijking in de vorm van een hangende metalen ketting, een kunststof buis, een bal of een (eetbaar) touw was aangebracht, maar dat deze in veel gevallen niet of moeilijk bereikbaar waren of bevuild waren met mest. Er was geen hokverrijking voor de recent gespeende biggen die nog in de kraamstal aanwezig waren. De varkens in de verschillende stallen en afdelingen hadden niet permanent de beschikking over wroetbare hokverrijking. In de veterinaire verklaring wordt opgemerkt dat de aanwezige hokverrijking bij alle afdelingen als onvoldoende wordt beoordeeld. De minister mocht uitgaan van deze bevindingen. De enkele stelling van [naam 1] dat er wel degelijk materiaal aanwezig was om mee te spelen en in te wroeten, is onvoldoende grond om daaraan te twijfelen, ook omdat deze stelling niet nader is onderbouwd. Maatregel 2 7.3.1 Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 2 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd. 7.3.2 Artikel 2.14, eerste lid, van het Bhd schrijft voor dat er maatregelen worden getroffen om de agressie in groepen zoveel mogelijk te beperken, waaronder in ieder geval het verstrekken van stro of ander materiaal aan gespeende varkens en gebruiksvarkens. 7.3.3 In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat de toezichthouders verschillende varkens hebben aangetroffen met aangebeten oren of staart. Er was geen aanvullende hokverrijking aangebracht en er waren geen andere zichtbare maatregelen genomen om de kans op agressie tussen dieren te verminderen. In de veterinaire verklaring staat beschreven dat er onvoldoende hokverrijking aanwezig was en dat er voor de zeugen in de kraamhokken geen of gebrekkig nestmateriaal aanwezig was. Dit zorgt volgens de veterinaire verklaring voor beperking van het natuurlijke gedrag, met chronische stress tot gevolg. Bij varkens leidt dit tot frustratiegedrag zoals bijvoorbeeld staart- en oorbijten en stangbijten voor de zeugen die vaststaan, aldus de toezichthoudend dierenarts. De minister mocht uitgaan van deze bevindingen. De niet onderbouwde stelling van [naam 1] dat wel voldoende afleidingsmateriaal aanwezig was en dat wonden dagelijks werden behandeld met wondspray, is onvoldoende grond om daaraan te twijfelen. Op de zitting is ook nog van de kant van de minister toegelicht dat als behandeling met wondspray bij een varken is uitgevoerd dat goed waarneembaar is. Maatregel 4 7.4.1 Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 4 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd. 7.4.2 Artikel 2.13, eerste lid, van het Bhd schrijft voor dat gespeende varkens, gebruiksvarkens, gelten en zeugen in afzonderlijke groepen worden gehouden. 7.4.3 In het rapport van bevi In de veterinaire verklaring van 29 oktober 2019 staat omschreven dat de conditie van de zeugen en gelten sinds de controle in februari 2019 was verbeterd, maar dat er nog steeds veel variatie in conditie van de zeugen was en er ook nog steeds meerdere veel te magere zeugen aanwezig waren. Volgens de toezichthoudend dierenarts moet het diermanagement verbeteren door uniformere groepen te maken, door magere dieren extra aandacht te geven en zo nodig apart te huisvesten en beter te voeren. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat er nog steeds zeugen aanwezig waren die veel te mager waren. De enkele stelling van [naam 1] dat varkens aanleg kunnen hebben om mager te worden, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals de minister stelt, blijkt uit de bevindingen van de toezichthouders en uit de foto’s bij het rapport van bevindingen 2 dat verschillende zeugen te mager waren en dat het niet gaat om een normale variatie in lichaamsgewicht. Maatregel 7 7.7.1 Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 7 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd. 7.7.2 Artikel 2.26, tweede lid, van het Bhd, schrijft voor dat varkens ouder dan twee weken permanent beschikken over voldoende vers water. 7.7.3 In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat in stal 7 elk van de afdelingen 21 tot en met 33 en 36 tot en met 40 één drinkbak, (met plaats voor één dier) beschikbaar was. In elke afdeling is plaats voor ongeveer 84 zeugen of gelten. De toezichthouders zagen in verschillende afdelingen dat één dier aan het drinken was en dat andere dieren er omheen stonden en kennelijk ook wilden drinken. Dit leidde tot rivaliteit tussen individuele dieren. De druk van het water varieerde per drinkbak. In afdeling 40 constateerden de toezichthouders dat er geen water uit de drinkbak kwam en dat de varkens niet (permanent) de beschikking hadden over drinkwater. De veterinaire verklaring onderschrijft deze bevindingen en voegt daaraan toe dat er in meerdere afdelingen competitie en agressie was tussen de zeugen om toegang tot water te krijgen en dat zeugen duidelijk frustratiegedrag vertoonden in respons op een ontoereikende watervoorziening. De toezichthoudend dierenartsen hebben waargenomen dat zeugen de drinkende zeug probeerden te verdringen, door te duwen en omtrekkende bewegingen te maken. Zeugen aan de drinkbak probeerden de opdringerige zeugen weg te jagen door zich dwars te positioneren en soms te snauwen en te bijten. Daarnaast is door de toezichthoudend dierenarts waargenomen dat meerdere vaststaande zeugen verkeerd om in een kraamkooi stonden en daardoor geen toegang hadden tot water en voer. Deze dieren vertoonden gedrag dat wijst op stress. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat varkens niet permanent beschikking hadden over voldoende vers water. [naam 1] heeft de bevindingen niet gemotiveerd betwist. Maatregel 8 en 9 7.8.1 Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 8 en 9 niet waren uitgevoerd en dat de voor deze maatregelen opgelegde dwangsommen van elk € 1.500,- zijn verbeurd. 7.8.2 Artikel 2.21, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bhd schrijft voor dat de spleetbreedte tussen de roosterbalken van een roostervloer over de gehele oppervlakte van de roostervloer gelijk is en bij stallen bestemd voor zeugen zonder biggen en gelten na dekking ten hoogste 20 mm bedraagt. 7.8.3 Artikel 1.8, tweede lid, van het Bhd schrijft voor dat behuizingen, waaronder begrepen de vloer, waarin een dier verblijft op zodanige wijze zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden dat bij de dieren geen letsel of pijn wordt veroorzaakt en geen scherpe randen of uitsteeksels bevatten waaraan het dier zich kan verwonden. 7.8.4 In het rapport van bevindingen 2 staat beschreven d Artikel 2.4, vijfde lid, van het Bhd schrijft voor dat wanneer de zorg, bedoeld in artikel 1.7, aanhef en onderdeel c, van het Bhd geen verbetering in de toestand van het dier brengt, zo spoedig mogelijk een dierenarts wordt geraadpleegd. 7.10.3 Uit het rapport van bevindingen 2 blijkt dat de toezichthouders hebben geconstateerd dat diverse zeugen verwondingen hadden, waaronder schouder- en pootwonden. Verder zijn een zeug met een uitstulping van het rectum, varkens met beschadigde en vers bebloede oren, een varken met een beschadigde en vers bebloede staart en meerdere dieren met wonden gezien. De gewonde varkens waren niet afgezonderd van de overige dieren, terwijl dat volgens de toezichthouders wel nodig was. In de veterinaire verklaring staat beschreven dat de toezichthoudend dierenartsen hebben waargenomen dat zieke en gewonde dieren niet waren afgezonderd in een geschikte ziekenboeg. Zo zagen zij bijvoorbeeld een zeug met een ernstig verdikte rechter onderpoot met een open wond, dieren met abcessen, een zeug met een open wond op de linker schouder, een zeug met een wond op de rug, enkele matig kreupele gelten, een zeug met twee ernstige vleeswonden in de achterhand, een zeug met een wond aan de linker achterpoot, een zeug met een wond aan de schouder, een zeug met een diepe vleeswond in de linker bil die ernstig kreupel was aan de rechter voorpoot en een zeug met een zware pompende ademhaling. Het College is van oordeel dat de minister mocht uitgaan van deze bevindingen, die op zichzelf niet zijn bestreden. Uit deze bevindingen blijkt dat zieke of gewonde dieren niet waren afgezonderd in een passend onderkomen, terwijl dat volgens de toezichthouders wel nodig was. Gelet op de ernst van de waargenomen verwondingen volgt het College [naam 1] niet in haar stelling dat er geen reden was om de dieren af te zonderen. Maatregel 12 7.11.1 Het College is van oordeel dat de minister in het invorderingsbesluit terecht heeft geconcludeerd dat maatregel 12 niet was uitgevoerd en dat de voor deze maatregel opgelegde dwangsom van € 1.500,- is verbeurd. 7.11.2 Artikel 2.4, eerste lid, van het Bhd schrijft voor dat een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal vakbekwame personen. 7.11.3 In de veterinaire verklaring bij het rapport van bevindingen 2 staat beschreven dat een aantal waarnemingen van de toezichthoudend dierenartsen wijst op te weinig personeel, en/of onvoldoende diermanagement. Zo voldeed de hokverrijking niet en waren er grote verschillen in formaat en voedingstoestand van de zeugen in dezelfde groep. Ook stonden alle kraamkooien op de kortste stand afgesteld, zodat grote zeugen geen voor- en achterwaartse ruimte hadden om te bewegen en alleen konden liggen met de kop onder de voerbak. Meerdere zeugen stonden verkeerd om in de kraamkooi of dekstal, waardoor zij geen toegang hadden tot water en voer. Volgens de toezichthoudend dierenartsen zouden bij een bedrijf van deze omvang ongeveer zeven tot tien personen moeten werken. Bij een lagere arbeidsbezetting kunnen alleen de basale werkzaamheden plaatsvinden en is er minder of geen tijd voor noodzakelijke, maar minder spoedeisende werkzaamheden. Volgens de toezichthoudend dierenartsen is het onmogelijk om met de bestaande personele bezetting alle noodzakelijke werkzaamheden uit te voeren. De minister mocht uitgaan van deze bevindingen, waaruit blijkt dat het aantal vakbekwame personen op de varkenshouderij van [naam 1] onvoldoende was. Partijen zijn het erover eens dat er in de periode van 1 oktober 2018 tot en met 30 september 2019 gemiddeld 2.800 zeugen op het bedrijf aanwezig waren. [naam 1] had drie vaste werknemers en huurde daarnaast arbeid in voor drie dagen per week. Daarmee is niet voldaan aan de norm uit het Handboek KWIN-V 2016-2017, waaruit volgt dat de arbeidsbehoefte zonder biggenopfok en met eigen opfokzeugen 12,7 uur per 100 zeugen per week bedraagt. Omgerekend naar 2.800 zeugen bedraagt de arbeidsbehoefte dan 355,6 uur per week. Bij een werkweek van 40 uu Zij zagen dat meerdere dieren een verhoogde ademhalingsfrequentie hadden. In de temperatuurkolom op de klimaatcomputers was bij verschillende afdelingen een foutmelding te zien, of een onwaarschijnlijke temperatuurwaarde, bijvoorbeeld -99,9 en 68,7 graden Celsius. Daarnaast waren in de temperatuurkolom op de klimaatcomputers temperaturen variërend van 24 tot 27 graden Celsius te zien. In de veterinaire verklaring staat omschreven dat het stalklimaat in de groepshuisvesting in stal 7 niet geschikt was voor het huisvesten van drachtige zeugen, omdat de temperatuur veel te hoog was. Er werden tekenen van hittestress gezien bij meerdere zeugen. 7.14.4 Hoewel de minister heeft onderbouwd dat voor drachtige zeugen, afhankelijk van het stadium van de dracht, voor de temperatuur een bandbreedte geldt van 18 tot 22 graden Celsius, is het College van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de temperatuur in de stal tijdens de controle op 23 september 2019 schadelijk was voor de varkens. De toezichthouders hebben de temperatuur in de afdelingen zelf niet gemeten. Zij hebben weliswaar de temperatuurwaardes op de klimaatcomputers bekeken, maar omdat de klimaatcomputers ook onwaarschijnlijke temperaturen lieten zien, staat niet vast dat de getoonde waardes van 24 tot 27 graden Celsius juist waren. Gelet op de ondeugdelijke metingen van de klimaatcomputers, had het voor de hand gelegen dat de toezichthouders zelf temperatuurmetingen hadden verricht. Slotsom 8.1 Het beroep is gegrond, voor zover het de invordering betreft van een dwangsom van € 1.500,- wegens het niet beëindigen van de overtreding van artikel 2.5, vierde lid, van het Bhd (maatregel 15). Het College zal het bestreden besluit op dit punt vernietigen en het invorderingsbesluit herroepen. 8.2 Het College zal de minister in de door [naam 1] gemaakte proceskosten veroordelen tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting; waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1) en in de door [naam 1] in bezwaar gemaakte kosten tot een bedrag van € 1.332,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting; waarde per punt € 666,- en wegingsfactor 1). Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn 9.1 Op grond van artikel 6 van het EVRM geldt een redelijke termijn voor definitieve afdoening van geschillen in bestuursrechtelijke procedures. Als vast uitgangspunt voor de redelijke termijn wordt genomen dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan twee jaar. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar duren. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. De te beoordelen periode vangt aan met de datum waarop het bezwaarschrift door de minister is ontvangen en loopt door tot de datum waarop het College uitspraak heeft gedaan. 9.2 De minister heeft het bezwaarschrift tegen het dwangsombesluit ontvangen op 24 juni 2019. Op het moment van deze uitspraak is de redelijke termijn van ten hoogste twee jaar (de termijn voor de procedure in eerste en enige aanleg) met (naar boven afgerond) 58 maanden overschreden. Dit betekent dat [naam 1] recht heeft op € 5.000,- schadevergoeding. De behandeling van het bezwaarschrift heeft meer dan een half jaar in beslag genomen en de behandeling van het beroep heeft meer dan anderhalf jaar geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is dus zowel aan de minister als aan het College toe te rekenen. 9.3 Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening komt van de minister en de Staat wordt de methode gevolgd in het arrest van de Hoge Raad van 19 februar