Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-10
ECLI:NL:CBB:2026:96
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/853 uitspraak van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de zaak tussen maatschap [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. B. Timmermans) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. J. van Horsen en mr. R.P.R. van Winkel) Procesverloop Met het besluit van 9 april 2024 heeft de minister de door de maatschap gedane melding overmacht op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 afgewezen. Met het besluit van 30 augustus 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de maatschap tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. De maatschap heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Met de brieven van respectievelijk 11 februari 2025 en 26 februari 2025 hebben de maatschap en de minister antwoord gegeven op een vraag van het College. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 13 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: namens de maatschap [naam 3] en [naam 4] , bijgestaan door mr. [naam 5] , en namens de minister zijn gemachtigden. Overwegingen Inleiding 1.1 Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) 2023 van de Europese Unie is voor zover hier van belang vastgelegd in Verordening 2021/2115, Verordening 2021/2116, Uitvoeringsverordening 2021/2290 en Gedelegeerde verordening 2022/1172. De nationale invulling van de GLB-verordening is neergelegd in de Uitvoeringsregeling GLB 2023. 1.2 De Uitvoeringsregeling GLB 2023 bevat een aantal belangrijke wijzigingen ten opzichte van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (oud), zoals de regels rondom het aanvragen van GLB-steun. Paragraaf 10 van de toelichting in de Staatscourant luidt voor zover van belang als volgt: “Om het aanvraagproces maximaal te kunnen ondersteunen […] wordt het aanvraagproces opgeknipt in twee stappen: een aanmelding (voorafgaand aan het aanvraagjaar) en een vooraf gecontroleerde aanvraag. Hierdoor worden fouten in de aanvraag voorkomen en dat zal minder sancties tot gevolg hebben. Gedurende het jaar ontvangt de aanvrager van RVO informatie over welke prestaties RVO wel en niet heeft geconstateerd en dat leidt vervolgens tot een vooraf gecontroleerde aanvraag. Aanpassingen leiden niet meer tot kortingen of sancties, de betaling geschiedt op basis van de uitgevoerde prestatie. De aanmelding bevat een opgave van de regelingen waar de aanvrager aan mee gaat doen en tevens het concept bouwplan en de voorgenomen eco-maatregelen voor het betreffende aanvraagjaar. De aanmelding is de basis voor de controles die vanuit de EU zijn voorgeschreven […] aangevuld met risicogerichte controles op basis van programmatisch handhaven en verantwoord vertrouwen worden ingericht volgens de nationale kaders. Gedurende het aanvraagjaar wordt de aanvrager zo goed mogelijk begeleid naar een foutloze aanvraag. […] Wat gelijk blijft is de peildatum van 15 mei, dat is het moment waarop geen percelen en landschapselementen meer toegevoegd kunnen worden aan de aanvraag. Op dat moment wordt op basis van de RVO registers bepaald wie de beschikking heeft over een perceel of een landschapselement.” 1.3 De maatschap heeft tijdig een aanmelding gedaan voor de basispremie, voor extra betaling eerste veertig hectare en voor de eco-regeling. De minister heeft echter niet tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 30 november 2023, een aanvraag daarvoor van de maatschap ontvangen. De minister heeft de maatschap via een op 9 januari 2024 gedane melding overmacht als bedoeld in artikel 46 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 een rechtsingang geboden om te kunnen (laten) beoordelen of alsnog een aanvraag in behandeling moest worden genomen. Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Standpunt van de maatschap 3 De maatschap stelt dat zij in de veronderstelling was dat zij op 20 november 2023 de aanvraag had ingediend. De maatschap heeft op de zitting toegelicht dat Voor het toewijzen van een gedeeltelijke subsidie ziet de minister ook met toepassing van het evenredigheidsbeginsel geen aanleiding. Beoordeling 5.1 De Uitvoeringsregeling GLB 2023 is – zoals gezegd – een ministeriële regeling die de nationaalrechtelijke invulling geeft aan de per 1 januari 2023 in werking getreden Europese GLB-verordeningen. De keuze voor het opknippen van het aanmeld- en aanvraagproces in twee stappen, de daarvoor geldende termijnen en het opnemen van een hardheidsclausule zijn nationaalrechtelijke keuzes van de minister geweest. 5.2 Met het stellen van een uiterste datum voor het indienen van een aanvraag voor steun over 2023 op grond van het GLB worden meerdere legitieme doelen gediend, zoals volgt uit de nadere toelichting door de minister, weergegeven onder 4. Uitgangspunt dient dan ook te zijn dat een landbouwer zijn aanvraag binnen de aanvraagtermijn, in dit geval uiterlijk op 30 november 2023, moet hebben ingediend om voor GLB-steun over 2023 in aanmerking te komen. 5.3 Niet is vast komen te staan dat de maatschap de aanvraag op 20 november 2023 heeft ingediend. Dat [naam 4] in aanwezigheid van [naam 2] in de eigen RVO-omgeving van de maatschap heeft ingelogd en daar de aanvraag heeft verzonden, is niet nader onderbouwd. De aanvraag is ook niet terug te vinden in het aanvraagsysteem van RVO en de maatschap heeft evenmin een ontvangstbevestiging gekregen. Uit onderzoek van systeemgegevens blijkt dat de maatschap na 9 oktober 2023 niet meer in de eigen RVO-omgeving heeft ingelogd om in de Gecombineerde opgave te werken. Ook heeft de minister onbetwist gesteld dat op 20 november 2023 geen sprake was van een storing in het aanvraagsysteem van RVO. 5.4 De maatschap heeft haar aanvraag dus niet tijdig, uiterlijk op 30 november 2023, ingediend. Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van overmacht. In beroep is nu nog de vraag aan de orde of de minister aanleiding had moeten zien de hardheidsclausule toe te passen of het beroep op het evenredigheidsbeginsel te honoreren. Hardheidsclausule 6.1 De maatschap heeft aangevoerd dat de minister aanleiding had moeten zien om de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 48 van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 toe te passen. Deze houdt in dat de minister kan afwijken van artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 voor zover de toepassing van dit artikel gelet op het doel ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 6.2 Het College is van oordeel dat het niet afwijken van de in artikel 11, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 neergelegde uiterste aanvraagdatum van 30 november 2023 niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De maatschap wist dat zij in 2023 eerst een aanmelding moest doen om in aanmerking te komen voor GLB-steun, en dat de aanvraag uiterlijk 30 november moest worden gedaan door de Gecombineerde opgave opnieuw in te dienen, ook als er geen wijzigingen waren. Van onduidelijkheid of door de minister veroorzaakte verwarring was op dit punt dus geen sprake. De minister heeft in dit geval bovendien herinneringen gestuurd aan de maatschap dat de aanvraag niet was ontvangen, ook nog na 20 november 2023. De maatschap erkent dat zij deze herinneringen heeft ontvangen op het e-mail- en woonadres van [naam 1] en [naam 2] , maar zij hebben de betekenis van deze herinneringen niet goed ingeschat, omdat zij in de veronderstelling waren dat de aanvraag al was ingediend. Dit is een omstandigheid die voor rekening van de maatschap moet blijven. Dat de maatschap daardoor voor 2023 niet in aanmerking komt voor steun vanuit het GLB maakt niet dat de gevolgen voor de maatschap zwaarder moeten wegen dan de legitieme doelen waarop de minister zich heeft beroepen. Evenredigheid 7 De maatschap heeft ten slotte aangevoerd dat het niet als tijdig aanmerken van haar aanvraag in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Gelet op de onder 6.2 genoemde omstandigheden volgt het College de maatschap hier niet in. Ook d