Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-03
ECLI:NL:CBB:2026:88
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1967 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [naam 1] , te [woonplaats] (appellante) (gemachtigde: mr. R.T. Poort) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. P.J. Kooiman) Procesverloop Met het besluit van 17 mei 2023 (besluit tot spoedbestuursdwang) heeft de minister de spoedbestuursdwang tot het euthanaseren van de kat van appellante, uitgevoerd op 5 mei 2023, op schrift gesteld. Met het besluit van 27 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard. Appellante heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 9 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: appellante, bijgestaan door haar gemachtigde, en de gemachtigden van de minister. Overwegingen Inleiding 1.1 Appellante was eigenaar van de kat [naam 2] . Deze kat was ten tijde van het besluit tot spoedbestuursdwang ruim 17,5 jaar oud. De kat was erg ziek. In het toezichtrapport van 9 mei 2023 opgesteld door de toezichthouder van de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) is het volgende opgenomen: “Politiemedewerker […] heeft de dierenarts nogmaals gevraagd om de situatie van de kat op te sommen. Zij hoorde de dierenarts het volgende zeggen: - 17,5 jaar oude kat [naam 2] - Is 2 jaar geleden geopereerd aan een tumor aan zijn staart - Tumor is sinds 1.5 jaar weer terug, maar inwendig. - Tumor is uitgezaaid in de lymfe en zit rond de Aorta - Tumor is mogelijk uitgezaaid richting de nieren i.v.m. het vele plassen en de diarree. - Tumor drukt op de zenuwen waardoor zijn linker pootje uitgevallen is en die meesleept in de beweging. - [naam 2] is 25% van zijn gewichtsverlies al kwijt. - Is totaal uitgedroogd. - Eet en drinkt moeizaam. - Zijn temperatuur is te laag.” 1.2 Appellante heeft haar dierenarts op 29 april 2023 gemaild met het verzoek om medicatie omdat de kat last had van diarree. Appellante is op 1 mei 2023 met de kat bij de dierenarts geweest. Het advies van de dierenarts was om de kat te euthanaseren omdat het dier onnodig pijn leed en er geen zicht was op verbetering. Appellante wilde niet overgaan tot euthanasie van de kat. 1.3 Op 2 mei 2023 is er wederom contact geweest tussen appellante en de dierenarts. Op dat moment wilde appellante nog niet overgaan tot euthanasie van de kat. De dierenarts heeft appellante tot 5 mei 2023 de tijd gegeven om alsnog een afspraak te maken om de kat te laten euthanaseren. De dierenarts heeft appellante laten weten dat de dierenarts een melding doet bij de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID), als er voor 5 mei 2023 geen euthanasieafspraak wordt gemaakt. 1.4 Uit overgelegde appjes is gebleken dat de dierenarts op 5 mei 2023 om 08.43 uur naar appellante heeft geappt met de mededeling dat er een melding bij de LID wordt gedaan als de dierenarts niet voor 13.00 uur van appellante hoorde. Om 8.53 uur heeft appellante op dit bericht gereageerd en gezegd dat het goed gaat met [naam 2] . Appellant liet hierbij ook weten dat zij graag [naam 2] medische dossier wil hebben. 1.5 Op 5 mei 2023 heeft de dierenarts contact opgenomen met de LID. Naar aanleiding hiervan zijn op die dag rond 13.40 uur twee politiemedewerkers naar de woning van appellante geweest. In het toezichtrapport dat op 9 mei 2023 is opgesteld door de districtsinspecteur van de LID is hierover het volgende opgenomen: “Hierop zag politiemedewerker […] dat [appellant] een bakje uit de koelkast pakte met een witte substantie erin. Zij vroeg haar wat dit was. Zij hoorde [appellant] zeggen dat het witte zachte vis was. Zij zag dat betrokkene […]dit in het schaaltje deed die voor de kat stond en dat [naam 2] dit probeerde op te eten. Zij hoorde een knarsend geluid, net of er bot over elkaar heen schuurde. Zij zag dat [naam 2] erg ingevallen was. Zij zag dat [naam 2] zijn heupbotten en ruggengraat uitstaken. Zij zag Beoordeling van de gronden Procesbelang 3.1 Het College heeft vragen gesteld over het procesbelang van appellante, omdat de last onder spoedbestuursdwang inmiddels is uitgevoerd en er ook geen kostenbesluit in de zin van artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) valt te verwachten nu appellante de kosten van de spoedbestuursdwang al heeft betaald. Volgens appellante is haar belang gelegen in het op een later tijdstip krijgen van een schadevergoeding voor de schade die zij heeft geleden door het besluit tot spoedbestuursdwang en het bestreden besluit. 3.2 Zoals het College eerder heeft overwogen, ook in zijn uitspraak van 23 maart 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:304 onder 8.3.4), kan de mogelijkheid om naderhand een actie tot schadevergoeding in te stellen een procesbelang met zich brengen bij een beroep tegen een besluit dat beweerdelijk schade toebrengt. Er moet dan wel een (begin van een) onderbouwing worden gegeven voor een mogelijk causaal verband tussen de gestelde schade en het vermeend onrechtmatige besluit, terwijl niet van tevoren onaannemelijk mag zijn dat schade is geleden. In dit geval heeft appellante onderbouwd betoogd dat zij schade heeft geleden naar aanleiding van het besluit tot spoedbestuursdwang. Zij heeft de kosten van de euthanasie betaald en stelt daarnaast ook immateriële schade te lijden. Het College acht het niet op voorhand onaannemelijk dat appellante door de toepassing van de spoedbestuursdwang schade heeft geleden. Gelet hierop is het College dan ook van oordeel dat appellante belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep. Het College zal daarom het beroep inhoudelijk beoordelen. Intrekking strafbeschikking 4.1 Volgens appellante staat vast dat zij geen overtreding heeft begaan, alleen al omdat de officier van justitie de opgelegde strafbeschikking heeft ingetrokken met als reden dat appellante ten onrechte als verdachte is aangemerkt. De minister wijst deze lezing van de hand. Volgens de minister gelden in het strafrecht andere bewijsregels dan in het bestuursrecht. Bovendien is het doel van de minister geweest om met het besluit tot spoedbestuursdwang een einde te maken aan een overtreding, terwijl dit niet het doel is van het strafrecht. 4.2 Het College stelt vast dat de minister met het nemen van het besluit tot spoedbestuursdwang de vastgestelde overtreding heeft willen beëindigen. Deze overtreding bestond eruit dat de kat de juiste medische zorg is onthouden doordat het behandelplan van de dierenarts niet is opgevolgd. Het is voor de bevoegdheid van de minister om bestuursdwang toe te passen niet van belang of appellante al dan niet overtreder is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 februari 2023, onder 7.1, ECLI:NL:RVS:2023:609). Dat appellante uit de intrekking van de strafbeschikking door de officier van justitie afleidt dat zij geen overtreding heeft begaan, heeft dus voor de toepassing van bestuursdwang door de minister geen betekenis. Of appellante als overtreder kan worden aangemerkt, kan wel van belang zijn voor het kostenverhaal. Zoals onder 10 zal worden vastgesteld, gaat het bestreden besluit niet over kostenverhaal. Verwijtbaarheid 5 Appellante heeft verder aangevoerd dat een eventuele overtreding van artikel 2.2, lid 8, van de Wet dieren in samenhang gelezen met artikel 1.7, aanhef en onder c, van het Besluit haar niet kan worden verweten. Op zitting heeft appellante deze grond ingetrokken, zodat deze geen verdere bespreking behoeft. Zorgvuldigheid 6.1 Appellante stelt zich op het standpunt dat het besluit tot spoedbestuursdwang onzorgvuldig is voorbereid omdat er geen second opinion heeft plaatsgevonden. Volgens appellante zou er gezien de onomkeerbare gevolgen van euthanasie altijd eerst een second opinion plaats moeten vinden voordat de minister over mocht gaan tot het laten euthanaseren van de kat. Daarnaast heeft appellante zowel bij haar eigen dierenarts als bij dierenkliniek [naam 3] gezegd dat het volg Appellante stelt zich op het standpunt dat zij de gelegenheid had moeten krijgen om over deze e-mail gehoord te worden. Nu dit niet is gebeurd, is het bestreden besluit in strijd met artikel 7:9 van de Awb genomen. Volgens de minister hoefde appellante over deze e-mail niet gehoord te worden, omdat de antwoorden van de dierenarts geen nieuwe feiten en omstandigheden bevatten. 8.2 Op grond van artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord. Uit de antwoorden van de dierenarts blijkt, voor zover hier van belang, dat de kat leed en dit leed niet met medicatie bestreden kon worden. Uit de antwoorden van de dierenarts blijkt ook dat aanvullend onderzoek naar de toestand van de kat niet nodig was en dat het noodzakelijk was om de kat te euthanaseren. Het College stelt vast dat deze informatie ook al is terug te vinden in de medische gegevens van de kat, het toezichtrapport van de LID, de bevindingen van de politiemedewerkers die bij appellante thuis zijn geweest en het advies van de dierenarts van dierenkliniek [naam 3] . Deze informatie was al voor de hoorzitting en het nemen van het bestreden besluit voorhanden. Het College komt daarom tot het oordeel dat de e-mail van de dierenarts geen feiten of omstandigheden bevatte die van aanmerkelijk belang konden zijn voor het bestreden besluit. Appellante hoefde daarover dan ook niet gehoord te worden. De grond slaagt niet. Vooringenomenheid 9.1 Volgens appellante heeft de minister heimelijk contact gezocht met haar eigen dierenarts, de dierenarts van dierenkliniek [naam 3] en de politie. Door de verkregen informatie te gebruiken heeft de minister vooringenomen en in strijd met artikel 2:4 van de Awb gehandeld, zo stelt appellante. 9.2 Op grond van artikel 2:4 van de Awb moet het bestuursorgaan zijn taak zonder vooringenomenheid vervullen. Met het contact tussen de minister en de eigen dierenarts van appellante doelt appellante, zo begrijpt het College, op het e-mailcontact dat heeft plaatsgevonden op 17 en 18 oktober 2023. Het College stelt vast dat voorafgaand aan het besluit tot spoedbestuursdwang de toezichthouder van de LID is geïnformeerd door de politiemedewerkers die bij appellante thuis zijn geweest. Daarbij is ook besproken wat de dierenarts van kliniek [naam 3] constateerde. Al deze contacten waren gericht op het verkrijgen van informatie. Anders dan appellante stelt, kan uit het enkele feit dat er contact is geweest met politiemedewerkers en er informatie is opgevraagd bij de eigen dierenarts van appellante niet de conclusie worden getrokken dat de minister vooringenomen heeft gehandeld. De grond slaagt niet. Kostenverhaal 10 Voor zover appellante in deze procedure ook wenst op te komen tegen het verhaal van de euthanasiekosten, stelt het College vast dat het besluit tot spoedbestuursdwang niet ziet op kostenverhaal, maar alleen de constatering bevat dat appellante zelf de kosten van de euthanasie al heeft betaald. Nu er geen kostenbesluit is, kan hier ook niet tegen worden opgekomen. De grond slaagt niet. Slotsom 11 Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing Het College verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, in aanwezigheid van mr. E.M.M.A. Driessen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026 w.g. W.J.A.M. van Brussel w.g. E.M.M.A. Driessen Bijlage Wet dieren Artikel 2.2 […] 8. Het is houders van dieren verboden aan deze dieren de nodige verzorging te onthouden. […] Besluit houders van dieren Artikel 1.7 Degene die een dier houdt, draagt er zorg voor dat een dier: […] c. dat ziek of gewond lijkt onmiddellijk op passende wijze wordt verzorgd; […] Algemene wet bestuursrecht Artikel 2:4 1. Het bestuursorgaan verv