Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-03-03
ECLI:NL:CBB:2026:86
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1899 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen [naam] , te [woonplaats] (gemachtigde: mr. R.J. de Nekker) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. A.F.D. Weken) en de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) Procesverloop Met het besluit van 17 februari 2023 (dwangsombesluit) heeft de minister [naam] een uit zes maatregelen bestaande last onder dwangsom opgelegd wegens het overtreden van verschillende bepalingen uit de wet- en regelgeving ten aanzien van de identificatie en registratie van dieren. Met het besluit van 29 september 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [naam] tegen het dwangsombesluit ongegrond verklaard. Met het besluit van 24 januari 2024 (invorderingsbesluit) heeft de minister een bedrag van € 1.250,- aan dwangsommen bij [naam] ingevorderd. [naam] heeft bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit. [naam] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het beroep van [naam] heeft op grond van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op het invorderingsbesluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend. [naam] heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In verband met dit verzoek heeft het College de Staat in de procedure betrokken. De zitting was op 15 januari 2026. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Inleiding 1.1 Op 1 november en 23 november 2022 hebben toezichthouders, waaronder een toezichthoudend dierenarts, van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), een controle verricht op de bedrijfslocatie van [naam] , aan de [straat] te [woonplaats] . 1.2 Tijdens deze controle hebben de toezichthouders geconstateerd dat [naam] overtredingen beging van de wet- en regelgeving ten aanzien van de identificatie en registratie van dieren. De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in het rapport van bevindingen van 23 december 2022 (rapport van bevindingen 1). Naar aanleiding daarvan heeft de minister op 17 februari 2023 aan [naam] een last onder dwangsom opgelegd die, kortgezegd, inhoudt dat [naam] zes overtredingen moet beëindigen. Als hij dat niet binnen een termijn van zeven dagen (overtreding 1 t/m 5) of zes weken (overtreding 6) doet, moet hij een dwangsom betalen. De geldigheidsduur van de last onder dwangsom is één jaar. 1.3 Op 15 mei 2023 hebben toezichthouders, waaronder een toezichthoudend dierenarts, een hercontrole verricht op de bedrijfslocatie van [naam] . De toezichthouders hebben hun bevindingen neergelegd in een rapport van bevindingen van 9 juni 2023 (rapport van bevindingen 2). Naar aanleiding daarvan heeft de minister met het invorderingsbesluit een verbeurde dwangsom bij [naam] ingevorderd van € 1.250,- vanwege het niet beëindigen van twee van de zes overtredingen uit het dwangsombesluit. Voor overtreding 4 is een dwangsom ingevorderd van € 250,- en voor overtreding 6 is een dwangsom ingevorderd van € 1.000,-. 1.4 In het verweerschrift heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij voor het rund met werknummer [nummer 1] ten onrechte twee keer een dwangsom van € 250,- heeft ingevorderd. Dat betekent dat de minister voor overtreding 4 geen dwangsom had mogen invorderen en dat hij voor overtreding 6 niet € 1.000,-, maar € 750,- had moeten invorderen. Beoordeling van het beroep De omvang van de beoordeling door het College 2.1 Het College stelt allereerst vast waarover hij in deze uitspraak moet oordelen. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat de geldigheidsduur van de last onder dwangsom van één jaar inmiddels is verstreken. Het dwangsombesluit is daarmee uitgewerkt en kan niet meer ten grondslag worden gelegd aan (verdere) verbeurte van dwa Dit rund is volgens het ophaaloverzicht van de Rendac in 2016 echter dood afgevoerd en kan daarom geen kalf hebben gekregen op 11 november 2021. Daar komt bij dat het rund met werknummer [nummer 1] geregistreerd stond met haarkleur egaalbruin. De minister heeft daarom terecht geconcludeerd dat het blauwbonte rund dat tijdens de controle op 1 november 2022 geen oormerk droeg en op 23 november 2022 een oormerk met nummer [nummer 1] , niet het geregistreerde moederdier was. 3.5 Gelet op het voorgaande heeft de minister ten aanzien van overtreding 6 terecht een last onder dwangsom opgelegd ten aanzien van de runderen met werknummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] . Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de dwangsom te hoog is, of dat moet worden volstaan met een waarschuwing. Het beroep slaagt niet. Invorderingsbesluit 4.1 Tijdens de hercontrole op 15 mei 2023 hebben de toezichthouders geconstateerd dat [naam] voor het rund met werknummer [nummer 2] DNA-onderzoek heeft laten uitvoeren, maar dat hij de registratie van dit rund niet heeft aangepast in het I&R-systeem. Dat betekent dat voor dit rund nog steeds een onjuiste geboortedatum geregistreerd stond. Voor de runderen met de werknummers [nummer 3] en [nummer 4] heeft [naam] geen DNA-onderzoek laten uitvoeren, terwijl dat wel was vereist. Evenmin heeft [naam] de registraties van die runderen aangepast in het I&R-systeem. Op het momoment van de hercontrole op 15 mei 2023 was dus niet voldaan aan de opgelegde last. 4.2 [naam] heeft deze bevindingen niet betwist. Hij heeft slechts gesteld dat verwarring is ontstaan over de runderen door het rund met werknummer [nummer 1] . Dat het rund met dit werknummer bij [naam] verwarring heeft veroorzaakt, maakt naar het oordeel van het College niet dat [naam] niet aan de last kon voldoen door DNA-onderzoek te laten uitvoeren en juiste geboortedata te laten registreren. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat overtreding 6 tijdens de hercontrole op 15 mei 2023 ten aanzien van de runderen met de werknummers [nummer 2] , [nummer 3] en [nummer 4] niet was opgeheven. [naam] is daarom een dwangsom verschuldigd van € 750,-. De minister heeft dit bedrag met het invorderingsbesluit daarom terecht ingevorderd. De familieomstandigheden die [naam] naar voren heeft gebracht zijn, hoe ingrijpend ook, geen reden waarom de minister geheel of gedeeltelijk had moeten afzien van invordering. 4.3 [naam] heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat in het rapport van bevindingen van 13 december 2023 is geconcludeerd dat overtreding 6 is beëindigd. Volgens hem betekent dit dat hij geen dwangsommen verschuldigd is. Het rapport van bevindingen waar [naam] naar verwijst is echter opgemaakt na controles op 16 oktober 2023 en 1 december 2023. Dat de overtreding toen was beëindigd, maakt niet dat de minister geen dwangsom kon invorderen. De dwangsom is namelijk ingevorderd op basis van de bevindingen tijdens een eerdere hercontrole op 15 mei 2023. 4.4 Het College zal, zoals de minister heeft verzocht, het beroep gegrond verklaren, het invorderingsbesluit herroepen en de in te vorderen dwangsom vaststellen op € 750,-. Slotsom 5.1 Het College zal het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaren, het beroep tegen het invorderingsbesluit gegrond verklaren, het invorderingsbesluit herroepen en de in te vorderen dwangsom vaststellen op € 750,-. Daarnaast zal het College de minister veroordelen in de door [naam] gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,- voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt € 934,- en wegingsfactor 1). Overschrijding redelijke termijn 6.1 Op grond van artikel 6 van het EVRM geldt een redelijke termijn voor definitieve afdoening van geschillen in bestuursrechtelijke procedures. Als vast uitgangspunt voor de redelijke termijn wordt genomen dat de bezwaar- en