Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-02-17
ECLI:NL:CBB:2026:61
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 24/87 en 24/175 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaken tussen [naam 1] , te [woonplaats] (landbouwer) (gemachtigde: mr. J. van Groningen) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa) Procesverloop 24/87 Met het besluit van 10 januari 2023 (intrekkingsbesluit) heeft de minister de derogatievergunning van de landbouwer voor het jaar 2018 ingetrokken en hem voor het jaar 2024 uitgesloten van deelname aan derogatie. Met het besluit van 15 december 2023 (bestreden besluit I) heeft de minister het daartegen door de landbouwer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De landbouwer heeft tegen bestreden besluit I beroep ingesteld. De minister heeft een reactie op het beroepschrift ingediend. 24/175 Met het besluit van 15 augustus 2023 (kortingsbesluit) heeft de minister op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB een randvoorwaardenkorting van 3% vastgesteld op alle aan de landbouwer voor het jaar 2018 toegekende subsidies uit het Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Met het besluit van 9 januari 2024 (bestreden besluit II) heeft de minister het daartegen door de landbouwer gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De landbouwer heeft tegen bestreden besluit II beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zaken zijn op de zitting van 25 november 2025 gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder zaaknummer 24/821. Aan de zitting hebben deelgenomen: de gemachtigde van de landbouwer, vergezeld door [naam 2] , en de gemachtigde van de minister, vergezeld door [naam 3] en [naam 4] . In de zaak met zaaknummer 24/821 is afzonderlijk uitspraak gedaan. Overwegingen 24/87 1. De minister heeft het – met bestreden besluit I gehandhaafde – intrekkingsbesluit genomen, omdat met het overschrijden van de gebruiksnormen voor dierlijke meststoffen, stikstof en fosfaat en het niet naar waarheid opstellen van het bemestingsplan, de landbouwer niet aan de aan de verleende derogatievergunning verbonden voorwaarden heeft voldaan. De minister heeft daarom de voor het jaar 2018 verleende derogatievergunning ingetrokken en de landbouwer voor het jaar 2024 uitgesloten van deelname aan derogatie. 2 Het in deze zaak ingediende beroepschrift bevat beroepsgronden die in de kern gericht zijn tegen de weigering van de minister om bij de berekening van de op het bedrijf van de landbouwer geproduceerde stikstof en fosfaat uit te gaan van de overgelegde bedrijfsspecifieke excretie (BEX-) berekeningen. Het College stelt vast dat de beroepsgronden inhoudelijk gericht zijn tegen de opgelegde bestuurlijke boete en dat geen zelfstandige (inhoudelijke) beroepsgronden zijn ingediend gericht tegen de intrekking van de derogatievergunning voor het jaar 2018 en de uitsluiting van deelname aan derogatie voor het jaar 2024. 3 In de uitspraak van vandaag van de (boete-)zaak met zaaknummer 24/821 (ECLI:NL:CBB:2026:52), onderschrijft het College het oordeel van de rechtbank dat de landbouwer de gebruiksnorm dierlijke meststoffen, de stikstofgebruiksnorm en de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden. Met het overschrijden van de gebruiksnormen heeft de landbouwer een voorwaarde van de aan hem verleende derogatievergunning overtreden, zodat de minister deze op grond van artikel 25b, eerste lid van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet mocht intrekken. Uit het derde lid van dat artikel vloeit de uitsluiting van het kunnen doen van een aanvraag voor een derogatievergunning voor het daaropvolgende kalenderjaar voort. 4 Voor zover de landbouwer (subsidiair) heeft verzocht om matiging van de boete, merkt het College op dat dit in het kader van deze (derogatie-)zaak geen rol speelt. 5 Gelet op het voorgaande heeft de minister de aan de landbouwer voor het jaar 2018 verleende derogatievergunning terecht ingetrokken en hem terecht uitgesloten van deelname aan derogatie voor het jaar 2024. Het ber