Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-02-17
ECLI:NL:CBB:2026:55
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN Zaaknummers: 24/304, 24/305 en 24/306 uitspraak van de meervoudige kamer van 17 februari 2026 op de hoger beroepen van Otolift Trapliften B.V., te Bergambacht Handicare Stairlifts B.V. , te Heerhugowaard TK Home Solutions B.V. , te Krimpen aan den IJssel (trapliftproducenten) (gemachtigden: mr. W.A.A.M. Duineveld en mr. M.G. Jansen) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024, 23/593, 23/598 en 23/603, in het geding tussen de trapliftproducenten en de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, nu de staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport (gemachtigden: mr. I. Brink en mr. I.C.M. Nijland) met als derde partij [naam 1] B.V., te [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. M.Ch. Kaaks) Procesverloop in hoger beroep De trapliftproducenten hebben afzonderlijk hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 16 februari 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:985). De staatssecretaris heeft een reactie op de hogerberoepschriften ingediend. [naam 1] heeft een schriftelijke uiteenzetting over de zaak gegeven en nadere stukken ingediend. De trapliftproducenten hebben nadere stukken ingediend. De zitting was op 15 december 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Verder waren aanwezig [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] namens de trapliftproducenten, [naam 5] namens [naam 1] , W.G. Kasteleijn, werkzaam bij het Liftinstituut en G.G. Ros en L. van Kesteren, werkzaam bij de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). De trapliftproducenten hebben verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak, alsook naar de uitspraak van de rechtbank van 7 februari 2022 (ECLI:NL:RBROT:2022:878). Het College volstaat met het volgende. 1.2 De trapliftproducenten produceren trapliften. Een traplift bestaat uit een stoel, die door middel van een elektromotor wordt voortbewogen over een railbaan, die is bevestigd op een trap in een woning. Een traplift is bedoeld voor personen die niet op eigen kracht naar boven of naar beneden kunnen. 1.3 De trapliftproducenten hebben de staatssecretaris medio 2020 met afzonderlijke verzoeken verzocht om handhavend op te treden tegen [naam 1] . De handhavingsverzoeken zijn inhoudelijk grotendeels gelijkluidend en vinden volgens de trapliftproducenten hun grondslag in de problematiek met betrekking tot de veiligheids- en certificeringsaspecten van gereviseerde tweedehands trapliften. In hun verzoeken wijzen de trapliftproducenten ieder voor zich op een door hen zelf geproduceerde, maar door [naam 1] gereviseerde, doorverkochte en geplaatste traplift zonder dat [naam 1] daarvoor een beoordelingsprocedure heeft doorlopen of een nieuwe CE-markering heeft aangevraagd. Op hun verzoek heeft het Liftinstituut de drie trapliften onderzocht. In de daartoe opgemaakte rapporten heeft het Liftinstituut zijn bevindingen over de trapliften weergegeven en het volgende geconcludeerd: “Een traplift is specifiek ontworpen en geproduceerd voor een specifieke omgeving. De CE-markering en Verklaring van Overeenstemming heeft hier betrekking op. Voor een andere locatie moet de installatie opnieuw ontworpen worden wat in de regel tot aanpassingen van de railbaan leidt. Deze aanpassingen zijn hierdoor ingrijpende wijzigingen waardoor er, overeenkomstig de vigerende wetgeving (Warenwetbesluit machines) een nieuwe machine ontstaat. Hierdoor moeten de overeenstemmingsprocedures opnieuw gevolgd worden en een nieuwe Verklaring van Overeenstemming met CE-markering worden afgegeven. Ook voor deze installatie is dit het geval. Daarbij is het ontwerp en installatie niet overeenkomstig dan wel gelijkwaardig aan de veiligheidsnorm.” 1.4 Met afzonderlijke besluiten van 1 okto In de eerste plaats verwijzen eiseressen naar de Blauwe Gids waarin staat: “een product dat in belangrijke mate is gewijzigd of gereviseerd met het oog op het veranderen van zijn oorspronkelijke prestaties, doel of type kan eventueel als een nieuw product worden beschouwd. (…) Als uit de risicobeoordeling wordt geconcludeerd dat de aard van het gevaar is veranderd of het risiconiveau is verhoogd, moet het gewijzigde product worden beschouwd als een nieuw product” . 6.2.2. Verder hanteren partijen in hun stukken de term "ingrijpende wijziging" , een term die nergens wordt gedefinieerd. Wel wordt de term gebruikt in de door eiseressen ingebrachte werkinstructie “Beoordelen van gewijzigde machines” van de Nederlandse Arbeidsinspectie, waarin onder meer het volgende staat: “3.2.1 Wanneer is er sprake van een ingrijpende wijziging? Diegene die een machine aanpast of wijzigt moet beoordelen of deze wijziging "een ingrijpende wijziging" betreft. Hiervoor moet de wijziger ten minste een risicobeoordeling als bedoeld in de "Algemene beginselen" van bijlage 1 van de Machinerichtlijn 2006/42/EG uitvoeren. Als de wijziger vaststelt dat er sprake is van een ingrijpende wijziging, rusten op hem de volledige fabrikantsverplichtingen van de gehele machine. Er zijn situaties denkbaar dat het onduidelijk is of de wijziging een "ingrijpende wijziging" is. Om hierin duidelijkheid te verschaffen heeft de Arbeidsinspectie in 2017 de brochure "Zo past u uw machine veilig aan" opgesteld. Daarnaast is er een Duitse notitie "Wesentliche Veränderung von Maschinen".” 6.2.3. Die Duitse notitie bevat een "flowchart" die in bijlage 3 bij de bestreden besluiten is opgenomen (“Fig. 1: Decision steps - substantial modification to machinery” ). De daarin gebruikte terminologie komt overeen met de nog niet in werking getreden Machineverordening, waarin “substantiële wijziging” in artikel 3, zestiende lid is gedefinieerd als: een niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine of verwant product met fysieke of digitale middelen nadat die machine of dat verwante product in de handel is gebracht of in bedrijf is gesteld, die gevolgen heeft voor de veiligheid van die machine of dat verwante product, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten . 6.2.4. Gelet op hetgeen partijen hierover ter zitting hebben verklaard, zal de rechtbank in het navolgende uitgaan van (de definitie van) de term "substantiële wijziging" zoals opgenomen in artikel 3, zestiende lid, van de Machineverordening (EU) 2023/1230 en de invulling daarvan door middel van de flowchart.6 Onder “substantiële wijziging” wordt verstaan: niet door de fabrikant voorziene of geplande wijziging van een machine of verwant product met fysieke of digitale middelen nadat die machine of dat verwante product in de handel is gebracht of in bedrijf is gesteld, die gevolgen heeft voor de veiligheid van die machine of dat verwante product, door een nieuw gevaar te creëren of een bestaand risico te vergroten, zodat het volgende vereist is: a) de toevoeging van afschermingen of beveiligingsinrichtingen aan die machine of dat verwante product waarvan de realisatie een wijziging vereist van het bestaande veiligheidscontrolesysteem, of b) de vaststelling van aanvullende beschermingsmaatregelen om de stabiliteit of de mechanische sterkte van de machine of dat verwante product te waarborgen. […] 7.2. Voor zover eiseressen stellen dat van de bevindingen van het Liftinstituut moet worden uitgegaan, omdat dit instituut door de overheid is aangewezen als ‘notified body’ en dus als deskundige is aangewezen om een oordeel te geven kan de rechtbank eiseressen niet volgen. Hoofdstuk 5 van het Warenwetbesluit machines regelt de aanwijzing van een EU- en NL-conformiteitsbeoordelingsinstantie. Als notified body, in het Warenwetbesluit machines aangeduid als EU-divisie conformiteitsbeoordelingsinstantie, kunnen worden aangewezen instellingen die voldoen aan de voorwaarden genoemd in het Ware Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat de trapliften niet substantieel zijn gewijzigd, zodat er geen sprake is van een overtreding op basis waarvan de staatssecretaris bevoegd is handhavend op te treden. 3.3 [naam 1] heeft het standpunt van de staatssecretaris op hoofdlijnen onderschreven. Daarbij heeft [naam 1] toegelicht dat zij niet betrokken is geweest bij het onderzoek van het Lifteninstituut en zij zich niet kan vinden in diens bevindingen. Beoordeling door het College Was er sprake van een overtreding die maakt dat de staatssecretaris handhavend moest optreden ? 4.1 Het College komt tot het oordeel dat de rechtbank de beroepen van de trapliftproducenten terecht ongegrond heeft verklaard, omdat geen sprake is van een overtreding die maakt dat de staatssecretaris handhavend moest optreden. Het College zal dit hieronder toelichten. 4.2 Zoals het College eerder heeft overwogen is het aan het bevoegd gezag toezicht te houden op de naleving van regelgeving en handhavend op te treden ingeval van overtreding. Door een belanghebbende kan aan dat gezag worden gevraagd om handhavend op te treden jegens een derde. Het ligt in dat geval op de weg van die belanghebbende om het bevoegd gezag voldoende aanknopingspunten te bieden voor onderzoek naar de vraag of de derde tegen wie handhavend optreden gevraagd wordt een overtreding begaat of heeft begaan. Het is dan aan het bevoegd gezag om te onderzoeken of sprake is van een overtreding (zie bijvoorbeeld de uitspraken van het College van 25 mei 2021, ECLI:NL:CBB:2021:514 en 9 april 2024, ECLI:NL:CBB:2024:263). 4.3 Aan hun handhavingsverzoeken hebben de trapliftproducenten ten grondslag gelegd dat [naam 1] heeft nagelaten om voor de drie gereviseerde trapliften een beoordelingsprocedure te doorlopen en een nieuw CE-keurmerk aan te vragen. Zij hebben daarbij gewezen op artikel 5 van de Machinerichtlijn. 4.4 De Machinerichtlijn is – kort gezegd – van toepassing op machines en legt, voor zover hier van belang, verplichtingen op aan de fabrikant. Een fabrikant is elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een onder deze richtlijn vallende machine of niet voltooide machine ontwerpt en/of produceert (artikel 2, aanhef en onder i, van die richtlijn). Op grond van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d en f, van die richtlijn moet de fabrikant, alvorens een machine in de handel te brengen en/of in bedrijf te stellen respectievelijk de procedures ter beoordeling van de overeenstemming uitvoeren, overeenkomstig artikel 12 en overeenkomstig artikel 16 de CE-markering aanbrengen. Deze bepaling is geïmplementeerd in artikel 3a van het Warenwetbesluit machines. In dat artikel is onder meer bepaald dat de fabrikant een CE-markering op de machine aanbrengt, alvorens deze in de handel te brengen. Op grond van artikel 5 van het Warenwetbesluit machines wordt de CE-markering uitsluitend op de machine aangebracht, indien de fabrikant de in dit artikel genoemde procedure uit de Machinerichtlijn toepast. 4.5 Omdat genoemde bepalingen uit het Warenwetbesluit machines (net als artikel 5 van de Machinerichtlijn) verplichtingen opleggen aan fabrikanten en [naam 1] niet de fabrikant is van de trapliften, moet worden geoordeeld dat die bepalingen in zoverre niet van toepassing zijn op [naam 1] . Voor zover al met de rechtbank, de staatssecretaris en de trapliftproducenten moet worden aangenomen dat de Machinerichtlijn en meer in het bijzonder de hiervoor genoemde verplichtingen ook van toepassing zijn op degene die een gebruikte machine substantieel wijzigt, moet met de rechtbank en de staatssecretaris worden geoordeeld dat daarvan hier geen sprake is. Anders dan de trapliftproducenten hebben aangevoerd is het aan de staatssecretaris op grond van de Warenwet en niet aan het Liftinstituut om te beoordelen of [naam 1] de trapliften substantieel heeft gewijzigd en daarmee mogelijk in strijd heeft gehandeld met het Warenwetbesluit machines. Weliswaar is het Liftinstituut aangewezen als een conformiteitsbeoordeli