Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-22
ECLI:NL:CBB:2026:53
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 26/19 uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen [naam 1] te [woonplaats] (verzoeker) (gemachtigde: mr. C.J. Driessen) en de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. P.M.M. van Bennekom) Procesverloop Met het besluit van 18 november 2025 heeft de minister een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoeker, wegens overtredingen van het Besluit houders van dieren (Bhd). De last heeft betrekking op door verzoeker gehouden honden. De minister heeft op 17 december 2025 op grond van die last bestuursdwang toegepast door 40 honden in bewaring te nemen. Verzoeker heeft tegen het besluit van 18 november 2025 bezwaar gemaakt en het College verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De zitting was op 21 januari 2026. Aan de zitting hebben deelgenomen: verzoeker en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de minister, vergezeld van [naam 2] en [naam 3] . Overwegingen Inleiding 1.1 Tijdens controles op 18 april 2025 en 26 september 2025 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) vastgesteld dat verzoeker bedrijfsmatig honden houdt en dat hij niet voldoet aan de regels die daarvoor gelden. Deze bevindingen hebben ertoe geleid dat de minister op 18 november 2025 een last onder bestuursdwang ter beëindiging van de genoemde overtredingen heeft opgelegd. 1.2 Tijdens een hercontrole op 17 december 2025 hebben toezichthouders van de NVWA vastgesteld dat verzoeker de overtredingen niet heeft beëindigd. De minister heeft vervolgens de overtredingen zelf beëindigd door bestuursdwang toe te passen. Hij heeft 40 van de 42 aanwezige honden meegevoerd en opgeslagen. Beoordeling door de voorzieningenrechter 2.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, als voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De overwegingen en het oordeel van de voorzieningenrechter zijn niet bindend voor de hoofdzaak. 2.2 Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening, omdat hij met dit verzoek wil bereiken dat de in bewaring genomen honden aan hem worden teruggeven en niet worden verkocht. 2.3 De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de minister terecht geconstateerd dat verzoeker bedrijfsmatig honden verkoopt en fokt en dat hij niet voldoet aan de regels die daarvoor gelden. Daarnaast heeft de minister terecht geconstateerd dat verzoeker algemene huisvestings- en verzorgingsnormen overtreedt. De voorzieningenrechter licht zijn oordeel als volgt toe. 2.4 Uit artikel 3.6 van het Bhd volgt dat het verboden is om bedrijfsmatig honden te verkopen en te fokken, tenzij is voldaan aan paragraaf 2 van hoofdstuk 3 van het Bhd. Uit artikel 3.6, tweede lid, van het Bhd volgt dat dat alleen anders is als de houder aannemelijk maakt dat geen sprake is van bedrijfsmatig handelen. Dat heeft verzoeker niet gedaan. 2.5 Uit de bevindingen van de toezichthouders blijkt dat verzoeker in de periode van 2021 tot en met 2025 gemiddeld ruim 26 pups per jaar heeft gefokt. In 2025 waren dat er ten minste 37. Uit de verklaring van verzoeker blijkt dat hij al langer fokt met zijn honden, ongeveer sinds 2019. De pups die worden geboren verkoopt verzoeker aan derden. Hij adverteert daartoe op marktplaats.nl en vraagt een prijs van € 400,- tot € 800,- per pup. De woning en gebouwen rondom de woning zijn ingericht op het bedrijfsmatig houden van honden. Uit deze omstandigheden blijkt dat verzoeker bedrijfsmatig honden verkoopt en fokt. De enkele ontkenning van verzoeker dat hij hobbymatig honden houdt en dat er incidenteel meer pups zijn geboren, is onvoldoende voor een andere conclusie. 2.6 Verzoeker betwist niet dat hi