Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-01-13
ECLI:NL:CBB:2026:5
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 24/545 uitspraak van de meervoudige kamer van 13 januari 2026 op het hoger beroep van: [naam] B.V., te [woonplaats] (varkenshouder) (gemachtigde: mr. J. van Groningen) tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 22 april 2024, kenmerk 23/1753, in het geding tussen de varkenshouderende minister van Landbouw, Visserij, Voedselveiligheid en Natuur, (gemachtigde: mr. A.F.D. Weken) Procesverloop in hoger beroep De varkenshouder heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam (rechtbank) van 22 april 2024 (ECLI:NL:RBROT:2024:3470). De minister heeft een reactie op het hogerberoepschrift ingediend. De zitting was op 8 oktober 2025. Aan de zitting hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen. Grondslag van het geschil 1.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. Het College volstaat met het volgende. 1.2.1 Op 17 augustus 2022 hielden toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een inspectie op het bedrijf van de varkenshouder. Op het bedrijf worden circa 6200 varkens (waarvan circa 2200 gelten en zeugen met bijbehorende biggen) gehouden. De toezichthouders zagen dat in de kraamstallen niet voldoende materiaal aanwezig was voor de varkens om te onderzoeken en om mee te spelen. Zij zagen dat ongeveer 300 varkens alleen beschikten over een kunststof pijpje dat op snuithoogte aan de spijlen van de behuizing hing waarin de varkens werden gehouden. De varkens konden hierdoor niet in dit verrijkingsmateriaal wroeten. De toezichthouders zagen géén ander geschikt materiaal voor de varkens om te onderzoeken en mee te spelen. In de kraamstallen was geen dichte vloer in de nabijheid van de varkens aanwezig. Daarnaast werd op de vloer van de kraamstal geen materiaal aangetroffen zoals stro, hooi, hout, zaagsel, compost van champignons, turf of een mengsel daarvan. Ten slotte zagen de toezichthouders dat de varkens die nog biggen moesten werpen in de laatste week voor het werpen niet konden beschikken over voldoende en adequaat nestmateriaal. 1.2.3 De bevindingen van de toezichthouders zijn neergelegd in het rapport van bevindingen (rapport) gedateerd op 8 september 2022. Het College verwijst voor de weergave van dit rapport naar de aangevallen uitspraak onder 2. In het rapport is onder meer beschreven waar de toezichthouders van de NVWA zich bevonden en wat zij hebben geconstateerd. 1.3 Naar aanleiding van de bevindingen in dit rapport heeft de minister de varkenshouder met het besluit van 21 oktober 2022 een boete opgelegd van € 1.500,- (boetebesluit), voor de volgende beboetbare feiten: “-Varkens beschikten niet permanent over voldoende materiaal om te onderzoeken en mee te spelen. - Zeugen en gelten beschikken in de laatste week voor het werpen niet over voldoende en adequaat nestmateriaal.” Volgens de minister heeft de varkenshouder daarmee overtredingen begaan van artikel 2.2, tiende lid, van de Wet dieren, in samenhang gelezen met artikel 2.22, eerste en tweede lid, van het Besluit houders van dieren (Bhd). 1.4 Met het besluit van 3 februari 2023 heeft de minister de bezwaren van de varkenshouder tegen het boetebesluit ongegrond verklaard. Tegen dit besluit was het beroep van de varkenshouder bij de rechtbank gericht. Uitspraak van de rechtbank 2 De rechtbank heeft geoordeeld dat de varkenshouder de overtredingen heeft begaan en daarvoor terecht is beboet. De rechtbank heeft, voor zover voor het hoger beroep van belang, het volgende overwogen, waarbij voor ‘eiseres’ ‘de varkenshouder’ en voor ‘verweerder’ ’de minister’ moet worden gelezen: “6.3. In het rapport van bevindingen staat dat de toezichthouder zag dat in de kraamstallen niet voldoende materiaal aanwezig was om te onderzoeken en om mee te spelen. De toezichthouder beschrijft dat ee De rechtbank overweegt ten onrechte in 6.3 van de aangevallen uitspraak dat ondanks dat de varkens geen verwondingen hadden, dit niet wegneemt dat de varkenshouder het risico op agressie en bijtgedrag tussen haar varkens wel heeft aanvaard door niet permanent eet- en wroetbaar materiaal aan te bieden. Er is echter evident geen sprake van een risico. Dat had zich anders wel voorgedaan. Zolang geen verwondingen optreden, kan van het voorwaardelijk aanvaarden van het verondersteld aanwezige theoretische risico geen sprake zijn. 3.2 De varkenshouder voert verder aan dat zij staartbijten bij varkens voorkomt door goed management en goede stalcondities, zoals het dagelijks strooien van stro en het permanent beschikbaar stellen van een touw met daaraan een kunststof pijpje. Daarmee spelen de varkens, voor zover ze niet rusten, en ook dat draagt bij aan het voorkomen van verwondingen. Het gaat om afleidingsmateriaal en daarbij is het niet noodzakelijk dat het materiaal eetbaar is. Het is ook een duurzamer materiaal omdat de varkens het kunststof pijpje niet kunnen eten. Verder krijgen de varkens op tijd voer toegediend en wordt gezorgd voor rust en evenwicht. Volgens de varkenshouder eten de varkens het stro echter direct op. Omdat varkens een groot deel van de dag rustend en liggend doorbrengen, is het voldoende dat het stro alleen beschikbaar wordt gesteld voor de momenten dat ze actiever zijn. Daarmee wordt voldoende invulling gegeven aan de kwalificatie 'permanent'. Dat de varkenshouder wel degelijk stro verstrekt, blijkt uit het stro dat nog waarneembaar was in de biggenafdelingen. Het iedere keer opnieuw in de hokken strooien van stro verstoort bovendien (1) het wenselijke eetpatroon, (2) is praktisch niet uitvoerbaar en (3) geeft te veel onrust in de hokken en beïnvloedt daarmee het noodzakelijke rusten op onaanvaardbare wijze. 3.3 Het College onderschrijft het in 6.3 van de aangevallen uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank en maakt de overweging van de rechtbank tot de zijne. Zoals het College reeds in zijn uitspraak van 26 maart 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:214 onder 5.4) heeft overwogen moeten varkens, om aan de norm van artikel 2.22, eerste lid, van het Besluit houders van dieren te kunnen voldoen, permanent kunnen beschikken over materiaal dat eet-en wroetbaar is. Op de zitting heeft de gemachtigde van de minister nog toegelicht dat het materiaal niet noodzakelijk eet- en wroetbaar is, maar het mag ook eet- of wroetbaar zijn. Wel moeten beide soorten materiaal altijd aanwezig zijn. Dat betekent in dit geval dat er naast het kunststof pijpje ook materiaal aan de varkens beschikbaar moet worden gesteld dat eetbaar is. Dat de varkenshouder stro had gestrooid, acht het College niet aannemelijk aangezien er door de toezichthouders geen restanten stro zijn aangetroffen. Uit het voorgaande volgt dat de varkens niet permanent beschikten over materiaal dat eetbaar en wroetbaar is, waardoor niet voldaan is aan de norm van artikel 22, eerste lid, van het Bhd. De beroepsgrond slaagt niet. Is sprake van een overtreding ten aanzien van het nestmateriaal? 3.4 De varkenshouder betoogt ten slotte dat de rechtbank in 6.4 van de aangevallen uitspraak ten onrechte overweegt dat de varkenshouder niet heeft onderbouwd dat het geen zeugen in de laatste week voor het werpen betrof. Daarmee miskent de rechtbank dat de bewijslast van de overtreding niet op de varkenshouder, maar op de minister rust. Aangezien in het rapport niets is vermeld over de fase van de dracht van de zeugen ontbreekt het wettelijk en overtuigend bewijs dat de varkenshouder een overtreding heeft begaan. Dat de zeugen anders niet individueel mogen worden gehuisvest, betreft een andere overtreding en die is niet aan de boete ten grondslag gelegd. 3.5 Het betoog van de varkenshouder slaagt niet. Het College volgt de rechtbank in haar overweging dat verweerder er terecht van uitgegaan is dat de zeugen en gelten in de individuele kraamstallen in de laatste week voor het werpen hebb