Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-02-03
ECLI:NL:CBB:2026:42
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 23/1954 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaak tussen de vennootschap onder firma [naam] , te [woonplaats] (landbouwer) (gemachtigde: ir. A.H.J. van der Putten) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigden: mr. I.M.H.G van Lankveld en mr. S.H.B. van der Zalm) Procesverloop Met het besluit van 23 december 2022 heeft de minister beslist op de aanvraag van de landbouwer voor het jaar 2022 om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling op grond van de Uitvoeringsregeling rechtstreekse betalingen GLB (Uitvoeringsregeling). Met het besluit van 19 oktober 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 23 december 2022 herroepen en het bedrag aan basis- en vergroeningsbetaling gewijzigd vastgesteld. De landbouwer heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De zitting was op 16 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen de gemachtigden van de minister. Overwegingen 1.1 De landbouwer exploiteert een melkveehouderij. Met de Gecombineerde opgave 2022 van 13 mei 2022 heeft de landbouwer onder meer gevraagd om uitbetaling van de basis- en vergroeningsbetaling voor het jaar 2022. Daarbij heeft hij in totaal een oppervlakte van 60,93 hectare (ha) opgegeven. 1.2 Met het besluit van 23 december 2022 heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling van de landbouwer voor het jaar 2022 vastgesteld op € 20.607,69. De minister heeft daarbij voor de bepaling van de hoogte van de basisbetaling een oppervlakte van 60,13 ha in aanmerking genomen. Omdat de landbouwer volgens de minister 0,05 ha te weinig ecologisch aandachtsgebied heeft ingericht, heeft hij het areaal dat voor de bepaling van de hoogte van de vergroeningsbetaling in aanmerking wordt genomen verlaagd met 0,98 ha. De minister heeft de vergroeningsbetaling daarom berekend op basis van een oppervlakte van 59,15 ha. 1.3 Met het bestreden besluit heeft de minister de basis- en vergroeningsbetaling voor 2022 gewijzigd en lager vastgesteld, en wel op een bedrag van € 20.078,46. De minister heeft daarbij voor de bepaling van de hoogte van de basisbetaling een oppervlakte van 60,40 ha in aanmerking genomen. Omdat de landbouwer volgens de minister 0,23 ha te weinig ecologisch aandachtsgebied heeft ingericht, heeft hij het areaal dat voor de bepaling van de hoogte van de vergroeningsbetaling in aanmerking wordt genomen verlaagd met in totaal 4,65 ha. De minister heeft de vergroeningsbetaling daarom berekend op basis van een oppervlakte van 55,75 ha. 2.1 De landbouwer betoogt dat het bestreden besluit in strijd met het verbod op reformatio in peius is genomen. Gezien de omvang en aard van de wijzigingen die de minister in de bezwaarfase heeft doorgevoerd, was de verleende reactietermijn van zeven dagen voor de landbouwer onvoldoende om gemotiveerd te reageren op de nieuwe bevindingen. De landbouwer vindt dat hij hierdoor in zijn verweermogelijkheden is geschaad en daarom mocht de minister de betaling niet op een lager bedrag vaststellen dan in het besluit van 23 december 2022. De landbouwer voert verder aan dat het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen. Daaruit wordt niet duidelijk of de minister er bij de berekening van de verlaging van uit is gegaan dat sprake is van een herhaalde overtreding van de landbouwer. 2.2 De minister heeft gemotiveerd verweer gevoerd. 3.1 Over het beroep op schending van het verbod op reformatio in peius overweegt het College dat geen rechtsregel zich ertegen verzet dat de minister in de bezwaarschriftprocedure wijzigingen ten nadele van de indiener aanbrengt als de bevoegdheid daartoe ook buiten het kader van die procedure bestaat. In dit geval volgt de vaststelling van de betaling uit de toepassing van artikel 46, eerste lid van Verordening (EU) nr. 1307/2013 in samenhang