Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-02-03
ECLI:NL:CBB:2026:41
uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummers: 23/1316 en 23/1317 uitspraak van de meervoudige kamer van 3 februari 2026 in de zaken tussen [naam 1] , handelend onder de naam Pluimveebedrijf [naam 1] , te [vestigingsplaats] (het pluimveebedrijf) en V-P-l B.V. , te Biddinghuizen (V-P-I), tezamen genoemd de bedrijven (gemachtigde: mr. C.J. Tijman) en de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (gemachtigde: mr. B.M. Kleijs) Procesverloop Met het besluit van 30 november 2022 (besmetverklaring) heeft de minister pluimveestal 1 van de VOF besmet verklaard met met zoönotische Salmonella typhimurium en bepaald dat met ingang van 29 november 2022 het verboden is om pluimvee, eieren en pluimveemest van of naar stal 1 te vervoeren. De minister heeft hierbij aangegeven dat de aanwezige eieren en het aanwezige pluimvee zullen worden afgevoerd. Met het besluit van 20 april 2023 (bestreden besluit) heeft de minister het hiertegen door de bedrijven gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De bedrijven hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het College heeft partijen gevraagd om te reageren op zijn uitspraak van 25 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:185). Partijen hebben hier schriftelijk op gereageerd. De minister heeft een verweerschrift ingediend. De bedrijven hebben aanvullende stukken overgelegd. De zitting was op 29 september 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , en [naam 5] voor de bedrijven, de gemachtigde van de bedrijven, de gemachtigde van de minister en [naam 6] . Overwegingen Inleiding 1.1 Het pluimveebedrijf exploiteert sinds 2021 een pluimveevermeerderingsbedrijf in [vestigingsplaats] . Het legt zich toe op de productie van broedeieren (bevruchte eieren) voor onder meer menselijke griepvaccinproductie. V-P-I levert de pluimveedieren aan het pluimveebedrijf en is de eigenaar van zowel de pluimveedieren als de eieren die deze dieren leggen. Op 29 november 2022 heeft de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), na analyse door een geaccrediteerd laboratorium, een positieve uitslag voor zoönotische Salmonella typhimurium ontvangen van monstermateriaal dat op 21 november 2022 was genomen in stal 1 van het pluimveebedrijf. Gelet op deze uitslag heeft de minister op grond van artikel 2.2 van het Besluit diergezondheid in samenhang met Verordening (EG) 2160/2003, met de besmetverklaring stal 1 met ingang van 29 november 2022 aangemerkt als besmet met zoönotische Salmonella typhimurium. De minister heeft daarbij als maatregel opgelegd dat het per genoemde datum verboden is om pluimvee, eieren en pluimveemest van of naar stal 1 te vervoeren en aangezegd dat het pluimvee en de eieren zullen worden afgevoerd. 1.2 De bedrijven stellen dat er in dit geval reden bestaat voor twijfel aan de positieve testuitslag. Daarom had de minister een verificatietest moeten uitvoeren. De minister stelt zich op het standpunt dat slechts in uitzonderingsgevallen, bij gerede twijfel aan de juistheid van de testuitslag, een verificatietest toegepast kan worden. Hier is volgens hem geen sprake van een uitzonderingsgeval. Wettelijk kader 2 Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. Appellanten 3.1 Op de zitting heeft de minister toegelicht dat de besmetverklaring abusievelijk is gericht aan Pluimveebedrijf V.O.F. Hij heeft bedoeld de rechtsopvolger van de VOF, het pluimveebedrijf aan te schrijven, zoals in het bestreden besluit wel juist is gebeurd. Zoals op de zitting besproken, neemt het College daarom aan dat de besmetverklaring (alleen) tot het pluimveebedrijf is gericht en laat het de VOF verder buiten beschouwing. 3.2 De besmetverklaring is niet aan V-P-I gericht, maar zij is wel eigenaar van de pluimveedieren en eieren die bij het pluimveebedrijf worden aangeleverd. Daarbij is het pluimveebedrijf contractueel verplicht de aanwijzingen van V-P-I over verzorging, inrichting en bedrijfsvoering met betrekking tot de pluimveedieren en ei De vaccinatiestatus van het koppel en de voorgeschiedenis van het bedrijf op het gebied van de prevalentie van het aangetroffen type salmonella vormen – wanneer zij onberispelijk zijn – omstandigheden waarmee in dit verband rekening moet worden gehouden, maar zijn op zich niet voldoende om te stellen dat de betrokken situatie onder voornoemd begrip valt.” 4.3 Zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie dient deze bepaling restrictief te worden uitgelegd en is die beperkt tot situaties waarin zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en de analyse niet correct zijn uitgevoerd, of er een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan. 4.3.1 Volgens de bedrijven bestaat er in dit geval een aanzienlijk risico in de hiervoor bedoelde zin. Zij beroepen zich erop dat uit later sequentieonderzoek naar voren is gekomen dat de in het monster van het pluimveebedrijf gevonden salmonellastam (genetisch) identiek is aan de stammen die zijn gevonden in monsters van vier andere bedrijven, waaronder drie pluimveebedrijven, terwijl deze bedrijven geen onderlinge banden of link hebben. De bedrijven verbinden hieraan de conclusie dat de besmetting met salmonella niet op het pluimveebedrijf, maar (zeer waarschijnlijk) in het geaccrediteerde laboratorium − waar alle genoemde monsters zijn getest − heeft plaatsgevonden. Zij betogen dat sprake is van een gegrond vermoeden van contaminatie van de monsters. Het College volgt de bedrijven hierin niet. Tijdens de zitting is door de minister meegebrachte deskundige toegelicht dat het kan voorkomen dat verschillende monsters een identieke salmonellastam hebben, te meer als sprake is van een veel voorkomende variant. Bovendien staat in dit geval vast dat één van de monsters waarvan de stam identiek is aan de stam die bij het pluimveebedrijf is gevonden, van veel eerdere datum is (circa drie maanden eerder) dan het monster dat is genomen op het pluimveebedrijf, terwijl twee andere monsters van veel latere datum zijn. De betreffende monsters zijn dan ook niet opeenvolgend, of vlak na elkaar getest. Er zijn geen aanwijzingen dat de standaardwerkwijze niet is gevolgd bij het testen van de monsters die zijn genomen op het pluimveebedrijf. Op basis van het bovenstaande komt het College tot het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat er zich gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan waardoor de bemonstering en de analyse niet correct zijn uitgevoerd, of er een aanzienlijk risico bestaat dat zich dergelijke gebeurtenissen of incidenten hebben voorgedaan. Hierdoor is geen sprake van een uitzonderingsgeval als bedoeld in punt 2.2.2.2, onder c van de bijlage bij de Verordening 200/2010 op grond waarvan de minister had kunnen overgaan tot het uitvoeren van een verificatietest. De grond slaagt niet. 4.3.2 Dat slechts één van de monsters die bij het pluimveebedrijf zijn genomen positief testte, maakt het bovenstaande niet anders. Datzelfde geldt voor de door de bedrijven genoemde omstandigheid dat later door het pluimveebedrijf uitgevoerde herbemonsteringen, een negatief testresultaat opleverden. Voor de vraag of sprake is van een uitzonderingsgeval, is dat niet relevant. Het College verwijst daarvoor naar de overwegingen van het Hof van Justitie die hiervoor in 4.2 zijn aangehaald. 4.3.3 De bedrijven hebben verder gewezen op de vaccinatiestatus van het koppel en de strenge hygiëne- en productievoorschriften die op het pluimveebedrijf gelden. Zoals volgt uit het eerdergenoemde arrest van het Hof van Justitie en de uitspraak van het College van 25 maart 2025 (ECLI:NL:CBB:2025:185) zijn de vaccinatiestatus van het koppel en de voorgeschiedenis van het bedrijf op het gebied van de prevalentie van het aangetroffen type Salmonella, wanneer zij onberispelijk zijn, omstandigheden waarmee rekening moet worden gehouden. Deze omstandigheden zijn op zichzelf echter niet voldoende om te stellen dat sprake is van een uitzonderings Punt 4 (Resultaten en rapportage) Een vermeerderingskoppel wordt ten aanzien van de doelstelling van de Unie als positief beschouwd: als in één of meer bij het koppel genomen monsters relevante serotypen Salmonella (met uitzondering van vaccinstammen) zijn aangetroffen, ook als de relevante serotypen Salmonella alleen in het stofmonster worden aangetroffen; of als de verificatiebemonstering bij officiële controles overeenkomstig punt 2.2.2.2, onder b), de aanwezigheid van relevante serotypen Salmonella niet bevestigt, maar er bij het koppel antimicrobiële stoffen of bacteriegroeiremmers worden opgespoord. Deze regel geldt niet in uitzonderlijke gevallen als beschreven in punt 2.2.2.2, onder c), waarin het oorspronkelijke positieve resultaat voor Salmonella van bemonstering op initiatief van de exploitant van een levensmiddelenbedrijf niet werd bevestigd door de bemonstering bij officiële controles. […] Verordening (EG) nr. 2160/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake de bestrijding van salmonella en andere specifieke door voedsel overgedragen zoönoseverwekkers Bijlage II, onder C. (Specifieke eisen voor vermeerderingskoppels van Gallus gallus) 1. Wanneer op basis van de analyses van de monsters overeenkomstig het bepaalde in deel B in de in punt 2 vermelde omstandigheden de aanwezigheid van Salmonella enteritidis of van Salmonella typhimurium is aangetoond in een vermeerderingskoppel van Gallus gallus, moeten de maatregelen in de punten 3 tot en met 5 worden getroffen. 2. a) Indien de bevoegde autoriteit de methode voor de analyse van de overeenkomstig deel B genomen monsters heeft goedgekeurd, kan zij eisen dat de maatregelen in de punten 3 tot en met 5 worden getroffen, wanneer de analyse de aanwezigheid van Salmonella enteridis of Salmonella typhimurium aantoont. b) In de overige gevallen moeten de in de punten 3 tot en met 5 genoemde maatregelen getroffen worden, wanneer de bevoegde autoriteit op grond van de analyse van de overeenkomstig punt B genomen monsters bevestigt dat er vermoedelijk Salmonella entiridis of Salmonella typhimurium aanwezig is. 3. Niet-bebroede eieren van een koppel moeten worden vernietigd. Dergelijke eieren mogen echter voor menselijke consumptie worden gebruikt indien zij een behandeling hebben ondergaan waarbij de uitschakeling van Salmonella enteritidis en Salmonella typhimurium gegarandeerd is overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne. 4. Alle dieren — inclusief eendagskuikens — van het koppel moeten worden geslacht of vernietigd, waarbij elk risico op verspreiding van salmonella zoveel mogelijk wordt voorkomen. Het slachten moet gebeuren overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne. Van dergelijke dieren afgeleide producten mogen overeenkomstig de communautaire wetgeving inzake levensmiddelenhygiëne alsmede deel E, zodra dat van toepassing is, voor menselijke consumptie in de handel worden gebracht. Indien deze producten niet voor menselijke consumptie bestemd zijn, moeten zij worden gebruikt of verwijderd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van de gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten. 5. Als in een broederij nog broedeieren aanwezig zijn van koppels waarin Salmonella enteritidis of Salmonella typhimurium aanwezig is, moeten die eieren worden vernietigd of worden behandeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002. Wet Dieren Artikel 5.3. (Aanwijzing dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen) 1. Onze Minister kan krachtens deze paragraaf maatregelen treffen en andere handelingen verrichten ter voorkoming of bestrijding van de door hem aangewezen dierziekten, zoönosen en ziekteverschijnselen bij door hem aangewezen diersoorten of diercategorieën. 2. Dierziekten en zoönosen kunnen worden aangewezen indien: a. zij besmettelijk zijn en verspreiding ervan niet kan w