Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 2026-07-30
ECLI:NL:CBB:2026:377
Boete vanwege het feit dat de vervoerder een rund vervoerde dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, omdat het rund niet in staat was zich op eigen kracht pijnloos te bewegen. proces-verbaal uitspraak COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN zaaknummer: 25/647 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juli 2026: Voorzitter: mr. R.W.L. Koopmans Griffier: mr. F.J.J. van West de Veer Zittingsgriffier: J.R. Willemstein Partijen vennootschap onder firma [naam 1] , te [vestigingsplaats] (vennootschap) (gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen), waarvoor niemand is verschenen en de staatssecretaris (voorheen de minister) van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, vertegenwoordigd door mr. F. Peters van Neijenhof, bijgestaan door [naam 2] Overwegingen en beslissing Inleiding 1. De vennootschap heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2025, waarin de rechtbank het beroep van de vennootschap tegen een beslissing op bezwaar gegrond heeft verklaard. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de staatssecretaris terecht heeft vastgesteld dat de vennootschap de overtreding heeft begaan, maar dat de opgelegde boete moet worden gematigd met 10% tot € 1350,- vanwege een omvangrijke overschrijding van de termijn tussen dagtekening van het rapport van bevindingen en het opleggen van de boete. Deze zaak gaat over een boete die de staatssecretaris aan de vennootschap heeft opgelegd wegens overtreding van artikel 6.2, eerste lid, van de Wet dieren, gelezen in samenhang met artikel 4.8 van de Regeling houders van dieren en artikel 3, aanhef en onder b, en artikel 6, derde lid, gelet op Bijlage I, hoofdstuk I, paragraaf 1 en 2, onder a, van Verordening 1/2005 . Overwegingen 2 Het College overweegt dat het hoger beroep van de vennootschap is gericht tegen een uitspraak waarin de rechtbank een gemotiveerd oordeel over de beroepsgronden van de vennootschap en het verweer van de staatssecretaris heeft gegeven. Voor zover in hoger beroep sprake is van herhaling van de eerder naar voren gebrachte standpunten en de vennootschap niet (gemotiveerd) heeft te kennen gegeven waarom de aangevallen uitspraak op de desbetreffende punten volgens haar niet juist is, volstaat het College met verwijzing naar (die overwegingen en) dat oordeel van de rechtbank. 3 De vennootschap stelt dat er geen cautie is gegeven en dat zij ten onrechte niet is gewezen op het recht op rechtsbijstand door een raadsman. In dit verband oordeelt het College dat, los van de vraag of de cautie is gegeven en is gewezen op het recht op rechtsbijstand, de boete niet is gebaseerd op een verklaring van (de chauffeur van) de vennootschap. De hogerberoepsgrond slaagt alleen daarom al niet. 4 Voorts heeft de vennootschap verwezen naar het (nieuwe) matigingsbeleid van de staatssecretaris. De rechtbank terecht overwogen dat de toezichthouder op de dag van de constatering de chauffeur op de hoogte heeft gebracht van de bevindingen en een rapport van bevindingen heeft aangezegd. Het College stelt vast dat daarom volgens het matigingsbeleid van de staatssecretaris, zowel het beleid dat gold ten tijde van de uitspraak van de rechtbank als het beleid dat de staatssecretaris inmiddels hanteert, geen sprake is van een overschrijding van de termijn waarbinnen de overtreder op de hoogte moet worden gebracht van de (bevindingen van de) overtreding waarbij zou moeten worden gematigd. In het verweerschrift heeft de staatssecretaris aangegeven dat hij inmiddels matigingsbeleid hanteert, waarbij ook een lang tijdsverloop tussen de dagtekening van het rapport van bevindingen en de boetebeschikking kan leiden tot matiging. Volgens dit matigingsbeleid matigt de staatssecretaris de boete met 10% als de termijn tussen de (definitieve) dagtekening van het rapport van bevindingen en het nemen van een boetebesluit langer is dan 37 weken. Nu de rechtbank de boete al heeft gematigd met 10% vanwege het lange tijdsverloop tussen de dagtekening van het rapport en de boetebeschikking ziet het College geen aanleiding om de boete vanwege deze overschrijding nog verder te verlagen. 5.1 Tot slot is volgens de vennootschap de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overschreden. De redelijke termijn is volgens haar aangevangen op het moment dat er op 9 september 2022 een verhoor heeft plaatsgevonden, waarbij een rapport van bevindingen is aangezegd. 5.2 In een bestraffende zaak als de onderhavige geldt het uitgangspunt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties (bezwaar, beroep en hoger beroep) in beginsel is overschreden als die procedure in haar geheel langer duurt dan vier jaar. 5.3 Het College stelt vast dat de redelijke termijn op het moment van deze uitspraak nog niet is overschreden. Onder verwijzing naar overweging 6.6 van de uitspraak van de rechtbank en naar eerdere uitspraken van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 oktober 2024, ECLI:NL:CBB:2024:744) concludeert het College dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in dit geval is aangevangen op 16 oktober 2023, de dag waarop de staatssecretaris de vennootschap heeft meegedeeld van plan te zijn om haar een bestuurlijke boete op te leggen (het boetevoornemen). Het College ziet in wat de vennootschap aanvoert geen aanleiding om hiervan af te wijken. Beslissing 6 Het College bevestigt de uitspraak van de rechtbank van 30 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:9267). Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De voorzitter is verhinderd w.g. F.J.J. van West de Veer de uitspraak te ondertekenen.